Analyse

Mini-enquête over moskeegelden leek vaak politieke show

Moskeefinanciering De verhoren in de mini-enquête over financiering van moskeeën uit ‘onvrije’ landen leverden weinig nieuws op. Was de commissie er voor nieuwe feiten, of om een politieke discussie vooruit te schuiven?

Terreurdeskundige Ronald Sandee wordt door een speciale commissie van de Tweede Kamer verhoord over illegale geldstromen vanuit het buitenland.
Terreurdeskundige Ronald Sandee wordt door een speciale commissie van de Tweede Kamer verhoord over illegale geldstromen vanuit het buitenland. Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Boze imams, ontwijkende antwoorden, machteloze burgemeesters. De verhoren van de Tweede Kamer-commissie die beïnvloeding van Nederlandse moskeeën uit ‘onvrije’ Golfstaten onderzoekt, zitten erop. Doel van de mini-enquête was het „creëren van duidelijkheid” over „de problematiek” van „ongewenste” moskeefinanciering. Maar na twee weken van openbare verhoren met deskundigen, bestuurders en mensen uit de islamitische gemeenschap, is de duidelijkheid er niet groter op geworden. De commissie moet nu aan de slag om haar onderzoek om te zetten in concrete voorstellen.

Lees ook De Dordtse moskee kreeg 88.888 dollar uit Saoedi-Arabië

Aanleiding voor de Tweede Kamer om het zware instrument van een parlementaire ondervraging in te zetten, waren publicaties van NRC en Nieuwsuur in 2018, over Golfstaten die met donaties invloed ‘kopen’ in Nederlandse moskeeën. Gesteund door buitenlandse geldschieters groeit de invloed van het salafisme, de fundamentalistische islam.

Een aantal mensen uit de moslimgemeenschap getuigde voor de commissie dat gematigde moslims hierdoor in de verdrukking komen. De burgemeesters van Utrecht en Den Haag vertelden de commissie dat zij niets tegen buitenlandse beïnvloeding kunnen doen, omdat gemeenten de bevoegdheden daartoe niet hebben.

Veel nieuws was dit alles niet: het is al uitvoerig beschreven in diverse media en rapporten. Zo bezien was deze mini-enquête op haar best een poging die eerdere berichten nog eens te laten bevestigen voor het grote publiek, en op haar slechtst een politieke show.

In het beklaagdenbankje zaten ook vijf moskeebestuurders, onder wie drie salafisten. Zij beschreven in grote lijnen hoe zij aan hun buitenlandse geld kwamen. De Haagse As Soennah-moskee maakt gebruik van een tussenpersoon: een Koeweitse sjeik die regelmatig te gast is in de moskee, zei oud-voorzitter Abdelhamid Taheri. De sjeik zorgde er via zijn eigen comité in het emiraat voor dat de moskee daar als ‘goed doel’ te boek kwam te staan. Daarna stroomden de Koeweitse miljoenen binnen.

Lees ook Vijf gemiste kansen in het onderzoek naar de moskeegelden

De salafistische voorman Nasr el Damanhoury zei dat hij vooral zaken doet met liefdadigheidsorganisaties in Qatar. Die stellen hem voor aan individuele geldschieters, aan wie hij zijn „projectvoorstel” presenteert. Deze geldschieters schenken vervolgens hun miljoenen via de liefdadigheidsinstelling aan het project, zodat zij zelf buiten beeld blijven.

Want wie nu concreet de donateurs van hun moskeeën zijn, dat wisten de bestuurders naar eigen zeggen niet. Taheri, nadat de commissie hem de naam van een geldschieter voorhield: „Ik kan dat ontkennen noch bevestigen.” El Damanhoury: „Ik denk dat ik ze ontmoet heb. Maar ik weet niet precies wie het zijn.”

Wel zeggen de bestuurders heel zeker te weten dat er nooit invloed met het geld is meegekomen. Alle donaties worden gedaan vanuit religieuze motieven, zonder dat donateurs er iets voor terugeisen. El Damanhoury: „Wij werken voor het hiernamaals.”

Buitenlandse steun is legaal

De ondervragingscommissie liet haar scepsis duidelijk blijken in soms stekelige vragen, maar ging eraan voorbij dat buitenlandse financiering legaal is. En daar wringt de schoen. De inlichtingendienst rapporteert al sinds 1998 dat de fundamentalistische islam zich, onder invloed van met name Saoedi-Arabië, in Nederland nestelt. De politiek heeft daar altijd ruimte voor geboden, maar verwijt nu moskeeën dat zij die ruimte hebben benut.

Tot op heden wil het kabinet niet aan een verbod op buitenlandse financiering voor religieuze instellingen, omdat dit op gespannen voet staat met de vrijheid van godsdienst. In plaats daarvan probeert zij met zachte drukmiddelen ‘ongewenste’ financiering tegen te houden. Maar wanneer dit nu precies ‘ongewenst’ is, daar hebben politieke partijen allemaal een ander beeld bij, en blijft ook na deze verhoren onduidelijk.

Misschien daarom was het verhoor met oud-officier van justitie Maarten Rijssenbeek het meest relevant. Hij leidde de afgelopen jaren bij het Openbaar Ministerie een expertisecentrum dat ‘ongewenste’ buitenlandse financiering moest aanpakken. Uit het verhoor werd duidelijk dat daar weinig van terecht is gekomen. Opsporingsdiensten mógen de meeste geldstromen niet onderzoeken of er informatie over uitwisselen, omdat ‘ongewenste’ financiering immers niet strafbaar is. Als de commissie het anders wil, zou zij grondwettelijke vrijheden aantasten. „En dat is een politieke discussie, die u onderling zou moeten voeren”, merkte Rijssenbeek droogjes op. Zo wierp de oud-officier wellicht onbedoeld de vraag op waar deze parlementaire commissie eigenlijk goed voor was: het achterhalen van nieuwe feiten, of het vooruitschuiven van een politieke discussie? Zeker is dat die discussie vanaf april weer verder gaat, als de commissie haar eindverslag afheeft.