Opinie

Leuk toch, zo’n katje?

Frits Abrahams

Een jaar zonder kat – hoe beviel dat? Prima. Eindelijk konden we weer spontaan doen wat ons inviel zonder die eeuwige, onvermijdelijke vraag: wat doen we met de kat? We hadden nu de mogelijkheid elke minuut van de dag af te reizen naar Groenland, Afghanistan, China, zelfs naar Oude Pekela. Maar wilden we dat ook?

China was al afgevallen, hoestend en niezend, maar over al die andere bestemmingen aarzelden we nog. Intussen kwamen we op onze stadse wandelingen voortdurend langs ramen waarachter allerlei soorten katten ons lieftallig knipogend lagen aan te kijken. Leuk toch, zo’n katje?

Zuchtend hakten we de knoop van twijfel en verlangen door. De kat won. Of beter: de emotie won het van de ratio. Want is het wel zo verstandig aan een nieuwe kat te beginnen als je al in de zeventig bent? Zo’n kat zou ons kunnen overleven – en dan? Dan zijn wij er nog, zeiden onze dochters. Maar afgezien daarvan, konden we een kat wel de levendige omgeving bieden die hij nodig heeft? Dat zou moeten blijken, maar als je nog levendig genoeg was om naar een kat te verlangen, dan moest je hem toch ook kunnen verzorgen?

We besloten op zoek te gaan.

Het plaatselijke asiel kon ons niet helpen, daar stonden ze gezonde katten alleen af aan „mensen met een tuin”, de ongezonde exemplaren mochten wél naar ons tuinloze appartement. We zochten een ‘sociale’ kat, een diertje dat gemakkelijk en toegankelijk in de omgang was. Zo kwamen we bij het hierom geprezen ras van de Britse korthaar terecht. Een Duitse fokkerij bood een moeder van twee jaar aan, maar we reageerden net te laat. Of we dan misschien een van haar dochtertjes wilden, een kitten van toen acht weken oud?

Wéér zo’n ellendige knoop om door te hakken. Een nog ongevormd, speels, misschien woest wezentje opvoeden? Was dat niet te veel van het goede? Waarom ook niet, besloten we, misschien werden we er zélf ook weer speels en woest van. Noem het maar een tweede jeugd, zeiden we laconiek tegen elkaar. We hadden de ratio toch al achter ons gelaten.

Zes weken later zat de poes ons in een gesloten mandje op te wachten, twee dames van de fokkerij ernaast. We kenden haar alleen van vage foto’s, maar nu was één blik voldoende: verkocht. Je hebt poezen in allerlei graden van onweerstaanbaarheid, maar deze was boven elke twijfel verheven. Ze was mooi en ze leek lief. Ze had drie kleuren, blauw, grijs en crème, en ze keek uit haar verschrikte, oranje ogen als een weeskindje in een boek van Dickens. Wat wilden we nog meer? Onmiddellijk naar huis met haar.

Ze is van chique afkomst, als ik het stamboek mag geloven. Een van haar overgrootvaders zou zelfs Weltchampion zijn geweest, en ze heet officieel Quira von Schloss Moyland, maar wij, akelig sobere Hollanders, noemen haar Lotje.

Sinds een weekje proberen we haar dingen af te leren. Op haar aandringen mag ze wel tussen ons in slapen, maar we willen liever niet dat ze ons ’s morgens om vijf, zes uur wakker maakt door vrolijk piepend in ons hoofdhaar te wroeten en te bijten. Ik heb me zelfs al genoodzaakt gezien om in bed als afweer mijn wollen wintermuts op te zetten. Mijn vrouw wil daar een foto van maken, maar dat sta ik niet toe. Als zo’n foto ooit op internet terechtkomt, kan ik als columnist wel ophouden.