Foto Merlijn Doomernik

‘In Nederland leef ik, maar zonder mijn ziel’

Interview Rodaan Al Galidi schreef een boek over de vierkante kilometer in Zwolle waar hij een nieuw bestaan opbouwde. „Ik was een moslim die rust vond in een klooster.”

Bellen, bellen, niemand doet open. Tikken tegen het raam, waarachter een groezelig wit laken hangt. Nu verschijnt er een meisje aan de deur, de wenkbrauwen dik in de verf, de ogen vol argwaan. „Mogen we even binnen kijken?”, vraagt Rodaan Al Galidi. „Ik heb hier zeven jaar gewoond.”

„Echt?”, zegt het meisje. Ze kijkt naar zijn donkere gezicht, maar zet toch twee stappen naar achteren, waardoor Rodaan twee stappen naar voren kan zetten, de smalle gang in.

„Daar”, zegt hij. Hij wijst naar de deur naast het hok waarin een smerig fornuis en een verroeste wasmachine staan. „Twee bij drie meter. Staat de gaskachel er nog?”

„Twee en een hálf”, zegt het meisje. „Twee en een hálf bij drie meter. En ik heb een radiator.” Het is nu haar kamer en kijken mag Rodaan niet. „Te veel rommel. Sorry.”

De Molenweg in Zwolle. Verderop in de straat is nog zo’n huis en in zijn nieuwe boek – Holland – heeft hij er van die twee één van gemaakt. Een studentenhuis vol jongens en meisjes die drinken en blowen en seks hebben en hele dagen uitslapen, en waar het stinkt naar bedorven eten en verschaald bier. „De Hel van Dante Alighieri”, zegt hij, als hij na twee minuten fietsen bij een met vuurdoorn begroeid herenhuis in de Assendorperstraat aanbelt. „Nu komen we in het Paradijs. Je weet niet wat je ziet.”

Hier woont Harry Pierik, tuinontwerper en groenadviseur. Hij is niet thuis, maar zijn vrouw wel en zij doet de deur naar de achtertuin open. Een paadje slingert langs volières vol vogels en verdwijnt verderop onder een poort van dicht struikgewas. Daarachter: een sprookjeslandschap van sneeuwklokjes en heksenkruid, in volle bloei, en nog veel meer volières. Bij een kleine granieten steen, waar een theatraal waterstroompje aan ontsnapt, doet Rodaan zijn tas open en haalt er twee foto’s uit, portretten van twee jonge vrouwen. „Dit was de echte Lidewij”, zegt hij bij de ene. Bij de andere: „Dit is de Lidewij uit mijn boek. En dit” – hij wijst naar de steen – „is haar levende grafzerk.” In zijn fantasie dan. Hier in deze tuin treurde hij om het meisje op wie hij zo vreselijk verliefd was. Ze wees hem af – „misverstanden, cultuurverschillen” – en later wierp ze zich voor de trein.

Levend museum

In 2016 publiceerde Rodaan Al Galidi (Irak, geboortedatum rond 1971) Hoe ik talent voor het leven kreeg, over de negen jaren en negen maanden die hij in het asielzoekerscentrum doorbracht, tot hij in 2007 een verblijfsvergunning kreeg. Het was het Boek van de Maand bij DWDD en het werd een bestseller, met vijftigduizend verkochte exemplaren. Eerder was hij al eens genomineerd voor de J.C. Bloem-poëzieprijs en de VSB Poëzieprijs. Holland gaat over de jaren na 2007, toen hij op deze ene vierkante kilometer in Zwolle een nieuw bestaan opbouwde, zonder uitkering, zonder een aan hem toegewezen woning. Die had hij allebei geweigerd. Hij wilde nooit meer een ambtenaar zien. Hij wilde vrij en onafhankelijk zijn. Dichter, schrijver, klussenman. In Irak was hij civiel ingenieur.

In Huis Assendorp, aan de Assendorperdijk, doet Rodaan zijn tas weer open en nu haalt hij er het ingelijste portret van een klein meisje uit. Felle ogen, donkere krullen. „Gekregen van een bewoonster”, zegt hij. Hij maakte in precies zo’n verzorgingshuis een tijdlang trappen en wc’s schoon. „Het hing bij haar aan de muur en ik zei: aaaah, mooier dan de Mona Lisa. Ze haalde het eraf en gaf het met trillende handen aan mij.” Huis Assendorp was voor hem een levend museum van herinneringen. Achter iedere deur vond hij een verhaal en de mensen vertelden het hem graag, want ooooh, de eenzaamheid van de ouden van dagen in Nederland. „Ze waren blij om me te zien.” Wel was hij er zich elk moment van bewust dat hij bij ieder zoekgeraakt handtasje of verloren ringetje verdacht zou worden van diefstal. Dat beschrijft hij ook in Holland.

Het klooster van de Dominicanen, weer in de Assendorperstraat, was voor hem ook een toevluchtsoord in tijden van heimwee en verdriet. Bij de gebrandschilderde ramen van de binnenhof begint hij luid te zingen, Gregoriaans. Ave Maria caelorum. Salve Regina. Daarna schalt zijn lach door de gangen. „Ik was een moslim die rust vond in een klooster.” Een moslim ja, maar hij is allang niet meer religieus.

Rodaan woont nog steeds in dit deel van Zwolle, alleen, in zijn eigen huis. Nou ja, huisje. Hij wil er nu niet heen, hij wil liever koffiedrinken bij boekhandel Waanders, gevestigd in een voormalige kerk uit 1466. Hij bestelt er cake bij en zegt dat hij in Holland het wonder van Nederland heeft willen beschrijven, hoe de mensen er zo’n prachtig en perfect land van hebben gemaakt, met (zoals hij eerder in NRC al eens zei) rioleringen en afvalbakken en bushaltes, ook in verlaten dorpen, waar maar eens in de maand iemand staat te wachten. „En kijk, de bus komt, precies op tijd, en stopt.” Hij blijft zich verbazen over de mensen die met hun honden in het park zitten te kletsen, en de honden bijten elkaar niet. Over de katten die samen met de muizen in de vensterbank naar buiten kijken in plaats van achter ze aan te rennen en ze op te vreten. Over de eerlijkheid, de openhartigheid, de duidelijkheid, en dat allemaal zonder geheime dienst, alleen de belastingdienst.

Alleen: de burn-óúts hier, de tráúma’s.

Lees ook: de recensie van de toneelbewerking van Al Galidi's bestseller 'Hoe ik talent voor het leven kreeg'

In Holland logeert Semmier, het alter ego van Rodaan, een tijd in de schuur van een zekere Daniëlle, een van de vele mensen op zijn pad die hem hulp bieden – „Nederland: altijd iemand die hulp biedt” – en op een ochtend ziet hij dat ze in zak en as zit. Er is, zegt ze, iets vreselijks gebeurd. Het gaat niet goed met Edward. Zomaar opeens. Haar dochter Tessa komt de keuken in en slaat huilend de armen om haar moeder heen. Edward? Edward? Semmier denkt aan een oom of een goede vriend, een man in een net pak met een stropdas, maar het blijkt Tessa’s konijn te zijn. De dagen dat Edward „op zijn sterfstro” ligt is het doodstil in huis en als Rodaan, nee, Semmier, afscheid van hem mag gaan nemen – de dierenarts komt zo met de spuit – bidt hij tot alle goden en profeten dat hij niet in lachen zal uitbarsten. Hij denkt aan de kapotgeschoten lijken die hij in zijn leven heeft gezien, aan raketten en bombardementen, aan de gevangenis en de IND en aan ijskoude cellen, tot hij zeker weet dat hij zijn gezicht in de plooi zal kunnen houden.

Later vertelt hij aan Tessa over het riviertje in het dorp van zijn jeugd, een zijriviertje van de Eufraat, in het sjiitische deel van Irak. De kinderen leerden er niet zwemmen, maar werden bang gemaakt voor het water. Een vriendje van hem, dat nergens bang voor was, niet voor de schoolmeester met zijn stok, niet voor de soldaten met hun geweren, niet voor de slangen en schorpioenen, niet voor de wolven die ’s nachts kippen komen stelen, en zelfs niet voor zijn vader, liep op een dag op te scheppen dat hij óók niet bang is voor het water. Op het moment dat Rodaan aan Tessa wil vertellen hoe het afloopt, verkeerd natuurlijk, begint hij te aarzelen. Nederlanders denken bij zo’n verhaal altijd meteen aan het trauma dat híj wel zal hebben opgelopen door het aanschouwen van de verdrinkingsdood van zijn vriendje. Terwijl hij denkt: geluk voor hem, zijn heldhaftigheid heeft hem al aan het begin van zijn leven gered van de oorlogen en rampen die hem anders te wachten hadden gestaan. Dus hij zwijgt liever. Dan legt Tessa haar hand op zijn arm en zegt vol begrip: „Misschien is het te emotioneel voor je om de rest van het verhaal te vertellen.”

Annie M.G. Schmidt

Zou Rodaan liever in Nederland geboren willen zijn? „Waar de kinderen”, zegt hij meteen, „wél leren zwemmen. Waar de kinderen die op jihad gaan allemaal hun zwemdiploma hebben en de verhalen van Annie M.G. Schmidt kennen.” Zijn lach vult het gewelf van de oude kerk. „Nee, ik zou hier niet geboren willen zijn, maar stel dat ik de koning van Irak was, dan zou ik hier gaan kijken met een paar bodyguards en alle goede dingen mee terug nemen, hoe hier gezorgd wordt voor de honden en de katten en de konijnen, en zelfs voor de oude mensen. Ik zou het model van Nederland naar Irak brengen, en dan nog mooier, nog schoner, nog beter. Alleen de burn-outs zou ik niet meenemen, en ook niet de eenzaamheid, en het gezeur over vreemdelingen, en mijn eigen verbittering.” Verbittering? „Herinner je je de passage in Holland waarin Semmier in de trein naast een Nederlandse man zit die aan hem vraagt of hij het Nederlands beheerst? Hij zegt dan: ja, meneer, maar de cultuur niet. Aaaah! Dat zinnetje! Dat is de boter van mijn boek, de essentie. Ik beheers de cultuur niet. Ik blijf een toeschouwer. Ik zal er nooit echt bij horen.” Hoe merkt hij dat? „Kijk, de appelboom in Nederland mag nooit groter worden dan de boer. Wij zorgen voor jou, maar je moet niet boven ons uit groeien. Ik mag bij wijze van spreken niet boven Tommy Wieringa uit groeien. Ik hou van Tommy Wieringa en zijn werk, hij is zeker beter dan ik, daarom durf ik zijn naam hier te gebruiken.” En het succes van Hoe ik talent voor het leven kreeg dan? „Nergens voor genomineerd”, zegt hij. „Prachtige recensies in The Guardian en The New York Times, maar geen enkel prijsje. Waarom niet? Antwoord mij!” Hij antwoordt zelf: „Omdat ik de verkeerde naam heb. Maar wacht! Schrijf dat niet op! Ik moet niet zeuren over drie gesloten deuren als er honderd voor mij geopend zijn. Anders ben ik weer zo’n zeikklootzak die nooit tevreden is. Ik ben héél tevreden.”

Wat als hij in een vredig Irak was geboren, niet in een anti-shiitische dictatuur, en daar was gebleven? „O, dan was ik een totaal andere man geweest. Hier ben ik de eeuwige asielzoeker, daar had ik het bedrijf van mijn vader overgenomen. Hij was een grote aannemer en ik was de slimste van zijn twaalf kinderen, goed in wiskunde, daarom kon ik naar de universiteit om civiele techniek te studeren. Ik was een rijke Rodaan geweest met verschillende huizen en een mooie, Koerdische vrouw, en ik had niet al die beledigingen hoeven te doorstaan, niet al die ellende.” Hij trekt een streng gezicht en zegt op schoolmeestertoon: „Gaat u daar maar even in de hoek zitten. Nee, dáár! In de hoek! Zit!” Weer normaal: „Ze behandelen je als een kind. Ik kwam in Nederland met Schiller en Goethe en Baudelaire en Mallarmé en William Faulkner en Steinbeck en T.S. Eliot, maar zonder paspoort en dan behandelen ze je als een klein kind. Iedereen heeft macht over je. In een vredig Irak was mijn kop van binnen zo rustig geweest als het klooster van de Dominicanen en zo mooi als de tuin van Harry Pierik. Nu ben ik als de oude mensen in Huis Assendorp: eenzaam en alleen.”

Dopamine

Zou hij in Irak ook geschreven hebben? „Ik ben een geboren verhalenverteller, een geboren dichter. De broer van mijn moeder was in een ruzie gedood door zijn beste vriend, en ik schreef een gedicht voor haar. Ze huilde. Ze zei: jij kunt mij laten huilen, zodat ik rustig word. Hier, neem dit, ga snoep kopen. Op de markt was een keer een motorfiets op een auto gebotst en mijn vader vroeg aan een van mijn broers wat er gebeurd was. Mijn broer vertelt het droog en precies, in twee minuten. Daarna vroeg mijn vader het aan mij. Weet je hoe lang mijn verslag duurde? Een halfuur! Maar in Irak zou ik alleen voor mezelf hebben geschreven, dagboeken. Ik zou mijn minnares Poëzie en mijn vrouw Proza niet misbruikt hebben voor mijn portemonnee. In Irak had ik mijn waardigheid nog gehad, mijn thuisgevoel. Ik ben het verloren in het azc. Voor alles is een prijs, hè. In Irak had ik mijn leven verloren, ik zou allang dood zijn geweest. In Nederland leef ik, maar zonder mijn ziel. Daarom noem ik mezelf de asielzoeker des vaderlands.”

Alle dagen, zegt hij, zit hij als een monnik in de schuur bij zijn huis en dan schrijft hij. Aan de wand voor hem hangen foto’s van zijn gedode broer en zijn van verdriet overleden zus, en ook foto’s van Adriaan van Dis, Geert Mak, Rutger Kopland, Kader Abdolah, Tommy Wieringa. „Zij zijn mijn steun en mijn warmte, ze hebben me altijd het gevoel gegeven dat ik hun broer ben in de literatuur.” Achter hem hangen de foto’s van de mannen wier namen hij liever niet noemt, maar hij noemt ze toch. Hitler, Stalin, Mussolini, Saddam Hoessein, Ceaușsescu. „Achter me zie ik nazi, jihad, fascisme, vechten voor God, onthoofden, ellende. Ik kijk er zo weinig mogelijk naar. Voor me zie ik cultuur en tolerantie, literatuur, muziek, dromen.” Hij wijst naar zijn ogen en zegt dat de traanklieren liters water kunnen maken. En dopamine brengt maar heel even geluk. Zo zijn we gemaakt, zegt hij. Kilo’s hel en een paar gram hemel.