Recensie

Recensie Boeken

Het dystopische Nederland van een jonge dichter (●●●●)

Maarten van der Graaff In zijn nieuwe bundel schetst de dichter een dystopische wereld, waarin het ‘ik’ steeds vaker verdwijnt.

Foto Klaus Vedfelt/Getty Images

Maarten van der Graaff (1987) speelt graag het spel van de machteloze eenling die hoog van de toren blaast. Het ik dat in zijn twee eerdere bundels al werd afgezet tegen het grote – om de nietigheid van het individu en ook om de zeggingskracht van de eenling, die ondanks alles het woord neemt, te benadrukken – lijkt het in Nederland in stukken te begeven.

Wat de dichter ziet en wat hem niet bevalt, wordt niet meer alleen bevochten met ironie en lyriek; de taal zelf wordt ingezet om maatschappelijke fenomenen te onttakelen en van de grond af aan opnieuw op te bouwen. Dat dit ten koste gaat van de persoonlijk-bevragende, donker-sprankelende stijl die zijn twee voorgaande bundels kenmerkt, is op het eerste gezicht een gemis, maar blijkt ten dienste te staan van wat de dichter beoogt: hij staat midden in een ‘zenuwlandschap’ dat geweld aanricht en geweld uitlokt. Hij heeft geen behoefte de zaken mooier voor te stellen dan ze zijn. De vaak drammerige dichtregels – die zich weinig aantrekken van hoe ze op de bladspiegel staan – spiegelen een vormeloos Nederland:

Misselijkheid. Ambtenaars citeren. Lullige. Woningnood. Weer een coach in je tijdlijn. Slaapkamers. Scrollen. Retromania. Belichamen. Kopieerlust. Nota’s van gevoel. Assemblage van. Parkeerterreinvermoedens. Raciaal. Modern. Buitengebied. Alles lag. Diepblauw. Bestemmingsplan. Grounded sciencefiction. Langs de grachten. De loods. Waar je weer het gevoel hebt in de blauwdruk van iets rond te lopen wat nooit af zal zijn en ook niet naar voltooiing streeft, maar naar voortdurende innovatie, een leven zonder weerwoord of adempauze, organisch en technologisch, digitaal en fysiek, met een grammatica die iedereen doet verstommen en de belofte van een comfort waar weinigen zich iets bij kunnen voorstellen. Pitch.

De wereld die Van der Graaff schetst, doet sterk denken aan uitvergrotingen van de Amerikaanse samenleving in romans van David Foster Wallace, waarin de omgeving kunstmatig is en de menselijke geest als restvorm van een beschaving schuurt langs wat functioneel, glad en gepolijst is. Dat de mens zichzelf in de wereld die hij zelf heeft geschapen, overbodig heeft gemaakt en niet meer herkent, is een diep verankerd besef dat Van der Graaff met Wallace deelt.

Taalregisters

De dichter bedient zich in deze bundel van uiteenlopende taalregisters, met onder meer een contract, een serie Word-documenten, een index, aantekeningen en residuen. Een land wordt niet alleen gekenmerkt door een verzameling mensen, toont de dichter, maar ook de taal waarmee politici, planologen en ambtenaren afleiden, manipuleren en heersen. In deze context is het passend en pijnlijk dat het ik in de bundel steeds meer naar de achtergrond verdwijnt.

Contract tussen man en jongen, het openingsgedicht, laat ruimte voor ondertekening door de dader en het slachtoffer van een aanranding. Door middel van deze taalconstructie draait de dichter de machtsverhoudingen van de geweldpleging om. Hij geeft zichzelf als jongen (ik/ hierna te noemen/ de jongen) de mogelijkheid al dan niet akkoord te gaan met de aanranding. Bovendien lokt hij de aanrander een taalconstructie in waarbinnen deze gedwongen wordt na te denken over zijn motieven.

de man verbindt zich jegens de ouders van de jongen een excuus te bedenken voor de verplaatsing van de man en de jongen naar het speelveld hierna te noemen de liefde voor tekenen en schilderen hierna te formuleren als zullen we samen de Mont Saint-Michel gaan tekenen?

De dichter is niet uit op wraak: hij noemt geen namen, maar dwingt met de overeenkomst een heroverweging af voor iedereen die ooit met een aanranding te maken heeft gehad of zal krijgen.

Indrukwekkend is hoe Van der Graaff hiermee een gevecht levert tegen het verloop van de geschiedenis. Ook in Word-document Nederland wordt gesuggereerd dat het anders had kunnen lopen. In deze cyclus wringt een ik zich in ‘Bericht’ en negen documenten door ambtelijke stukken over een bij voorbaat mislukt, ambitieus gepland Nederland. Als in pas gestort asfalt zinkt het ik weg om af en toe nog van zich te laten horen: De stad beloont creativiteit. Vrijwillig of anderszins. Driel-/ Oost. De corridor Eindhoven/ Veldhoven/ Welschap. Herneemt zich. En is daarin. Vier koersen. Dat voel ik.

Dat voel ik klinkt na het holle taalgedreun als een schitterende, leeglopende trompet.

In Residuen laat de dichter zijn ik ten slotte varen. Of niet? Een moeder is op zoek naar haar dochter Renate. Plaats van handeling is een tastbare wereld die vermengd is met een virtuele wereld. Wanneer de moeder een informatienummer belt, krijgt ze van een vriendelijke stem te horen dat de baliemedewerkster het residu is van een vrouw die jaren terug in het hotel heeft gewerkt. Deze werkelijkheid is herkenbaar: een groot deel van ons leven speelt zich af op schermen, sociaal gedrag vindt in toenemende mate plaats zonder dat mensen elkaar lijfelijk hoeven te treffen.

Renate is architect van ‘met opzet belachelijke en onhandige torens’. Ze staat aan het hoofd van een project waarin een groep mensen zich heeft teruggetrokken in spelonken. Renate ontpopt zich als een dictator die god naspeelt – voor haar moeder blijft ze onvindbaar. Het is niet moeilijk in Renate de dichter te herkennen die in Dood werk (2015) al aangaf dichters met te veel plannen te wantrouwen: Ik ben onaardig voor dichters,/ met hun marxistische poëtica’s,/ hun ruimtes en leegtes./ Ik ben aardig voor mijzelf./ Voor wie niet goed weet waarom kunst/ belangrijk is/ en wat er moet gebeuren.)

Toch mijdt Van der Graaff een uitgesproken vorm niet altijd. In Residuen is elke regel genummerd. De inhoud van het verhaal en wat het verbeeldt, is zo overrompelend dat het de dwangmatige structuur doet vergeten. De verbeeldingskracht wint het van het systeem – als residu van iets menselijks dat overeind blijft in de dystopische wereld die zich in 155 (niet op de bladspiegel passende) regels ontvouwt:

124. ze denkt nog steeds aan het residu hoe ze haar menselijke restwarmte waardeerde 125. haar half vacante plannen die voor menselijk doorgaan de vraag waar en wanneer 126. ze bestaat als ze met residuen praat houdt haar al langer bezig is het zoiets als televisiekijken contact hebben met een acteur of een bot 127. het probleem van het oppervlak is het menselijke probleem 128. want een oppervlak is een reeks elementen die samenkomen in de perceptie 129. dus het probleem van de huid is het menselijke probleem en de vraag wat er overblijft van menselijke problemen 130. moet Renate zich hebben gesteld toen ze besloot 131. de spelonken te bouwen

De ijle wereld die Van der Graaff schetst, waarin het ik er niet meer toe doet, is beklemmend en angstaanjagend dichtbij.