De generatie die het totaalvoetbal van Ajax uitvond verdwijnt

Voetbalgeschiedenis Met het overlijden van Barry Hulshoff is het ‘Gouden Ajax’ van de jaren zeventig opnieuw een prominent lid kwijtgeraakt. De generatie die bij Ajax het ‘totaalvoetbal’ op de kaart zette dunt uit. Het was een vriendenteam, met spelers die nog samen opgroeiden in Amsterdam.

Barry Hulshoff in een kopduel tegen Benfica in 1972. Ruud Krol en Johan Neeskens kijken toe.
Barry Hulshoff in een kopduel tegen Benfica in 1972. Ruud Krol en Johan Neeskens kijken toe. Foto ANP

De afgezakte kousen van voorstopper Barry Hulshoff: metafoor voor het ongenaakbare Ajax dat begin jaren zeventig Europa veroverde. De rushes van Johan Cruijff, de schaar van Piet Keizer, de slidings op kniehoogte van Johan Neeskens en die nonchalant tot halverwege zijn scheenbenen gedrapeerde kousen van Hulshoff – beeldflitsen die beklijven.

Hulshoff overleed begin deze week. Het ‘Gouden Ajax’ raakt ontzield. Wie het geluk had op te groeien met wat velen beschouwen als het beste sportteam dat Nederland heeft gekend voelt het gemis. Johan Cruijff en Piet Keizer stierven vlak na elkaar, in 2016 en 2017. Middenvelder Gerrie Mühren, boezemvriend van Hulshoff, ging hen voor. Hij overleed in 2013.

Lees ook: de necrologie van Barry Hulshoff

Jan Mulder (Ajax 1972-1975) maakte Hulshoff en Mühren mee als speler. „Toen ik hoorde dat Barry was overleden moest ik meteen aan Gerrie denken”, zegt hij. „Ze vormden een hecht duo, voelden elkaar goed aan. Gerrie had een droog gevoel voor humor. Daar reageerde Barry op met een gulle lach. Die lach van Barry in de kleedkamer, onvergetelijk. Hij had schik in het leven. Ik heb met hem gevoetbald, geleefd en genoten.”

De generatie die bij Ajax het totaalvoetbal op de kaart zette dunt uit. Mulder: „Nu moet het ophouden. De spelers gaan bij bosjes dood. Je krijgt er een soort van dagtaak aan om het bij te houden.”

De vraag is: Wat gaat er bij het afscheid van die generatie definitief verloren? Klaas Nuninga (Ajax, 1964-1969) is stellig: saamhorigheid. Nuninga: „Ik was de eerste buitenlander bij Ajax, zo heette dat. Ik kwam uit Winschoten, in Groningen. Maar ik integreerde hartstikke makkelijk. Er was niets bedreigends aan de kleedkamercultuur. Na een wedstrijd gingen we met elkaar naar de bioscoop, naar Tuschinski. De avond eindigde bij Van Dobben, met kroketten. Toen we kampioen werden hebben de spelers en hun vrouwen buiten de polonaise gedanst voor café Hoopman. Daar kan ik nu nog om lachen.”

Voetballen in de Dapperstraat

Het was in de kern een Amsterdams team, zegt Ruud Suurendonk (Ajax, 1965-1971). Hij groeide op met Hulshoff in Amsterdam-Oost, ze waren straatgenoten. Voetballen deden ze op het pleintje van de Dapperstraat. Suurendonk: „We hadden een clubje, RWA: Reinwardtstraat Wint Altijd. We speelden ook wel gewoon op straat. Putten, je moest het putdeksel aan de overkant van je tegenstander zien te raken. Als een automobilist er wilde parkeren zeiden we: ‘Meneer, wilt u doorrijden, we zijn hier aan het voetballen.’ Dat deed hij dan.”

Wat Suurendonk maar wil zeggen: het waren andere tijden. Lange, strenge winters, korte zomers. Hulshoff en hij waren beiden lid van jeugdsoos De Werf. „Daar leerden we figuurzagen en knutselen. Boetseren. Nu kijken jongeren de hele dag naar een computerscherm. Bij ons was het nog werken met je handen.” Aan sport deden ze ook: tafeltennissen in de wintermaanden, fietsen in de zomer. „Ik heb een lange fietstocht met Barry gemaakt, een week door Nederland. Dan leerde je elkaar wel kennen.”

Spelers van Ajax schuilen in 1969 tijdens een training. Met van links naar rechts: Barry Hulfshoff, Henk Groot, Sjaak Swart, Gerrie Mühren, Klaas Nuninga, Wim Suurbier, Gert Bals, Velibor Vasovic, John Cruijff, Bennie Muller en Ruud Suurendonk Foto Vincent Mentzel

Onder trainer Rinus Michels waren ze ineens concurrenten om een basisplaats. Suurendonk: „Uit tegen Liverpool (december 1966) was Wim Suurbier geblesseerd. Ik deed mee aan de warming-up, rekende op een basisplaats. Ineens zei Michels: Hulshoff speelt. Hij kon goed koppen, moest de voorzetten van de Engelsen onschadelijk maken. Zat ik toch weer op de bank. Nee, daar heb ik niet tegen geprotesteerd.”

Verzorger en fysiotherapeut Salo Muller (Ajax, 1959-1972) denkt „met verdriet en weemoed” terug aan die tijd. „Die lichting spelers was bijzonder. Jongens met voetbalgogme, snel van begrip. Tijdens de trainingen moest ik bij oefeningen wel eens fluiten, dan ging Michels middenin het veld staan. Nu zie je trainers die dan driftig staan te roepen en gebaren. Michels gaf een of twee aanwijzingen, dat was genoeg.”

Ook Salo Muller praat met vertedering over de vriendschap tussen Hulshoff en Mühren. „Ze hadden dezelfde interesses, luisterden naar muziek. Maar ze waren ook verschillend. Gerrie bad voor het eten, was gelovig. Althans, in het begin. Op een gegeven moment hield hij ermee op. Het had volgens hem geen zin meer. Barry las veel, net als Michels. Tijdschriften, boeken. Het was een aimabele jongen, hij maakte zich nooit kwaad. In positieve zin een meeloper.”

Deense dog

Jan Mulder: „Wat ik zo mooi vond: Gerrie werd door de oudere spelers Gerrit genoemd. Zijn Amsterdams aandoende voornaam werd dus vernederlandst. Terwijl je het omgekeerde zou hebben verwacht: Gerrit die Gerrie werd. Ik deed daar trouwens niet aan mee. Voor mij was en bleef hij Gerrie.”

Salo Muller herinnert zich dat Hulshoff zijn Deense dog meenam naar het stadion. „Hij nam hem mee naar de training. Nooit bij wedstrijden. Die hond was geen storend element. Hij wachtte rustig in de kleedkamer tot Barry hem na de training kwam halen.”

Jan Mulder: „Barry hield van rock and roll. Maar niet onder alle omstandigheden. Ik heb hem meegemaakt tijdens een kampioensfeest. Dan eindigden we allemaal in de binnenstad van Amsterdam, in een café waar Amsterdamse liedjes werden gezongen. Hij had de tranen in zijn ogen staan. Daar was hij gevoelig voor. Ik ook, trouwens. Ik kom uit Groningen, maar als er in een Amsterdams café levensliedjes worden gezongen kraak ik ook.”

Volgens Mulder is Hulshoff onderbelicht gebleven als speler. „Dat kwam natuurlijk door de klasse van Cruijff en Keizer. Barry was dankbaar dat hij met hen mocht spelen. Maar ook door de opkomende backs (Ruud) Krol en (Wim) Suurbier. Dat was nieuw, die eisten aandacht op. Ik zou wel eens hele wedstrijden van hem willen terugzien. Hij heette een schokschouderende back te zijn, maar was dat terecht? Ajax had Barry op dat moment hard nodig. Er is een kleine vergissing gemaakt in zijn beoordeling.”

Bang voor Barry Hulshoff

Dan was er natuurlijk nog zijn uitstraling. In een team dat experimenteerde met ongeremde haardrachten en ruige tronies was Hulshoff de ongekroonde koning. Mulder: „Die baard. Dat zag je toen bijna nooit. Ik geloof dat alleen de stopper van Benfica er een had, tijdens mijn jeugd. De wildgroei op de koppen van voetballers die je nu ziet; dat vind ik zo zielig. Bij Hulshoff had het een functie. Ik zie Ajax nog het veld oplopen tijdens de finale van de Europa Cup tegen Juventus (1973). De Italianen keken met een open bek van adoratie naar Hulshoff. Hij was een angstaanjagende speler. Beroemd in Europa.”

„Buitenlanders waren bang voor hem”, beaamt Salo Muller. Terwijl er achter die baard en wilde manen volgens hem „een rustige jongen” schuilging. „Een beetje nonchalant was hij wel. Als hij na de training of een wedstrijd had gedoucht liep hij zo met nat haar naar buiten. Dan klampte ik hem aan: ‘Haar föhnen, anders word je ziek.’ Dat deed hij dan, maar van harte ging het niet.”

Lees ook: Barry Hulshoff was een mentor voor Matthijs de Ligt

Suurendonk vertrok in 1971 naar Monaco. Bij Ajax verwierf hij nooit een basisplaats. „Het bestuur liet weten: ‘Monaco wil je hebben. Hoeveel moet je verdienen?’ Ik zei: ‘Honderdduizend gulden.’ Dat was meer dan twee keer zo veel als ik bij Ajax kreeg. Ik hoorde meteen terug: ‘Verkocht.’”

Bij Monaco had hij het niet naar zijn zin. „Iedereen zei: ‘Een luizenleventje. Wedstrijdje spelen, op het strand uitpuffen. Maar ik miste Ajax. De kampioenschappen, de Cups. Als ik dat had geweten was ik gebleven.”

Hulshoff kwam in 1966 bij de selectie van Ajax en veroverde drie jaar later een basisplaats, om die lang niet meer af te staan. Hij hield het voor gezien in 1977; daarna bouwde hij af bij MVV in Maastricht. Mulder: „Barry was een soort van oer-Ajacied. Hij speelde op inzicht. Nu zou je zeggen: ‘Efficiënt in wat hij deed.’ Als je even door die stijl heen kijkt zie je misschien iets meesterlijks.”

„Een Ajacied in hart en nieren”, vindt Muller. „Nu ben je weg als je anderhalf seizoen goed speelt. Barry bleef. Dat team waar hij deel van uitmaakte komt nooit meer terug.”