Opinie

Coronacrisis treft China in zijn fragiele kern

Viruscrisis Covid-19 komt bovenop de miljardenschade van de varkenspest in een economisch toch al verzwakt China, schrijft .
Het desinfecteren van een treinstation in de stad Kunming in de Chinese provincie Yunnan, eerder deze maand.
Het desinfecteren van een treinstation in de stad Kunming in de Chinese provincie Yunnan, eerder deze maand. Foto Reuters

‘Ik denk niet dat de situatie in China de afgelopen twintig jaar ooit zo zorgwekkend is geweest”, zegt een regiomanager van Eastman, een Amerikaans chemisch bedrijf dat wereldwijd opereert, waaronder in Singapore. Het is de vraag die overal in de stadsstaat gonst: zal het coronavirus (Covid-19) de Chinese economie verder uit zijn evenwicht brengen en wat zijn de gevolgen voor de Aziatische regio en de wereld?

De Chinese economische transitie slingert je als waarnemer heen en weer tussen extremen. De ene dag tel je het aantal oorlogsschepen in aanbouw op de werven van Shanghai en lees je rapporten over quantumtechnologie; de volgende dag gaat het over de Afrikaanse varkenspest en oplopende schuld.

Dat is vreemd maar ook normaal; groei is voor dergelijke landen een hindernissenparcours. Het is een strijd om macht en welvaart, maar óók een gevecht tegen uitputting. Kracht en fragiliteit zijn altijd met elkaar verbonden.

Kort na de uitbraak van het coronavirus reageerde China aanvankelijk onhandig en gebrekkig. De eerste berichten uit Wuhan werden de kop in gedrukt. Voorzieningen die werden opgetuigd na de SARS-epidemie van 2004 – eveneens door een coronavirus veroorzaakt – hebben onvoldoende gewerkt. Pas twee weken na de eerste besmettingen kwam de overheid in actie.

Gedurende een maand weigerde China deskundigen van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) de toegang. Terwijl het in het binnenland een draconisch cordon sanitaire instelde, maande het andere landen de passagiersvluchten met China niet te staken. Nog steeds wordt buitenlandse diplomaten verweten anti-Chinees te zijn wanneer zij binnenskamers hun bezorgdheid uiten.

Lees ook: Op de markt van Chaoyang is al geen varkensvlees meer

Eigen censuur

Zulke onbeholpenheid komt bovenop een andere gezondheidscrisis die China nog steeds niet volledig de baas is: de Afrikaanse varkenspest. Hoewel miljoenen varkens werden geruimd, signaleerde de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) ook de afgelopen weken nog steeds nieuwe gevallen. Li Defa, hoofd dierwetenschappen aan de Chinese Landbouwuniversiteit, schat de directe verliezen door varkenspest op 140 miljard dollar.

Zowel bij het optreden tegen corona als tegen de varkenspest werd de Chinese overheid geremd door haar eigen censuur, de sterk hiërarchische organisatie van de crisisbeheersing en de angst onder lokale leiders om het kind van de rekening te worden.

Terwijl het Chinese autoritaire systeem de reputatie heeft daadkrachtig te zijn, heeft het ook perverse effecten. Het Westen mag dan zijn problemen kennen, maar wie zakelijke belangen in de regio heeft, moet zich realiseren dat landen als China nog een lange weg te gaan hebben. Chinese leiders zijn trouwens doorgaans de eersten om dat toe te geven.

Wat zullen de gevolgen dan zijn? Dat hangt opnieuw van de context af. Het coronavirus komt bovenop de varkenspest, die weer bovenop de gevolgen van het handelsconflict met de Verenigde Staten komt en de gevolgen van een groeivertraging die al langer aan de gang was. Het Centre for Strategic Futures, een denktank van de Singaporese overheid, schat dat China de afgelopen maanden nog geen zestig procent van zijn industriële capaciteit heeft benut. Net als bij de SARS-epidemie wordt geschat dat het coronavirus China circa één procent van de economische groei zal kosten – mits het tegen mei de epidemie onder controle krijgt.

Lees ook: Het scenario voor China wordt duister

Wélk groeicijfer?

Dat werpt de volgende vraag op: één procent minder groei ten opzichte van wélk groeicijfer? Het officiële groeicijfer van 2019 was 6,1 procent en voor 2020 werd 6,0 procent verwacht. Maar er zijn verschillende redenen om die cijfers te relativeren. Meer betrouwbare indicatoren van de Chinese economische dynamiek schommelden vorig jaar slechts rond de drie procent: het vervoer via spoorwegen, de elektriciteitsproductie en de binnenlandse verkoop van consumptiegoederen. In 2019 kromp de Chinese invoer met 4 procent. De overheid rapporteerde dat 16 procent van de bedrijven in de industriële sector dat jaar met verliezen kampte.

China blijft teruggrijpen naar haar meest beproefde instrument: leningen. In januari schreven Chinese banken voor het recordbedrag van 477 miljard dollar aan nieuwe leningen uit. Tellen we daar obligaties en andere vormen van krediet bij, dan is dat 685 miljard. De totale Chinese schuld komt daarmee tegen de 300 procent van het bbp. Voor elk land, maar zeker voor een ontwikkelingsland is dat gigantisch en met een dalend rendement in de industrie, die ook nog eens van export afhankelijk is, wordt het een blijvende uitdaging.

De voorbije jaren kon China zich die vloedgolf aan krediet veroorloven omdat bedrijven en vooral gezinnen veel spaarden, maar die spaartegoeden groeiden in 2019 nog maar amper. China is dus zijn financiële reserves aan het opbranden.

Wellicht kan China ook dit obstakel overwinnen, maar financieel komt een aantal grenzen in zicht en er zijn weinig indicaties dat het dit met innovatie of groei in nieuwe dienstensectoren goed kan maken. Hoewel niemand wat heeft aan alarmisme, is voorzichtigheid geboden: China is een land, geen geloofsbelijdenis.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.