Als ze samen zijn gebeurt er iets geks met sprinkhanen

Woestijnsprinkhanen Oost-Afrika lijdt onder zwermen woestijnsprinkhanen. Hoe heeft het zover kunnen komen? En wat is eraan te doen? Zeven vragen aan entomoloog Arnold van Huis.

Zwermende woestijnsprinkhanen in Kenia.
Zwermende woestijnsprinkhanen in Kenia. Foto Joost Bast meijer

Twee gram per dag eten ze. Geen bescheiden hoeveelheid, als je erbij stilstaat dat woestijnsprinkhanen zelf óók maar twee gram wegen. Zijn ze in hun eentje, dan is die vraatzucht nog te overzien. Maar het probleem is dat woestijnsprinkhanen vaak juist níét in hun eentje zijn – eens in de zoveel tijd vormen ze een plaag, waarbij ze massaal gaan zwermen. En precies dat is nu gaande in het oosten van Afrika en het zuidwesten van Azië. Hoe ontstaat zo’n plaag? En wat is eraan te doen? Zeven vragen aan de Wageningse emeritus-hoogleraar tropische entomologie Arnold van Huis, voormalig locust consultant bij wereldvoedselorganisatie FAO.

1 Wat is er aan de hand?

Sinds afgelopen zomer nemen de aantallen woestijnsprinkhanen in Afrika en Azië in rap tempo toe. Al maanden lang vreten locusts (het Engelse woord voor zwermvormende sprinkhanen) daar landbouwarealen kaal. De getroffen gebieden bevinden zich vooral in Ethiopië, Kenia, Somalië, India en Pakistan. De FAO noemt de situatie begin februari in het Desert Locust Bulletin extreem alarmerend, zeker omdat verwacht wordt dat de sprinkhanenzwermen zich de komende maanden nog verder uitbreiden. Hoe de uitbraak zich precies zal ontwikkelen, is onduidelijk. Zo is het onder andere moeilijk te voorspellen waar de woestijnsprinkhanen heen zullen gaan, omdat ze meevliegen met de wind. Op die manier kunnen ze makkelijk 100 kilometer per dag afleggen.

Van een echte plaag is nog geen sprake, zegt Arnold van Huis. Daarvoor zijn de zwermen nog niet groot genoeg. „Maar de gevolgen zijn voor de boeren te groot om met de handen op de rug toe te kijken.”

Een zwerm van één vierkante kilometer bevat 40 tot 80 miljoen sprinkhanen en kan in een dag evenveel eten als 35.000 mensen, becijferde wereldvoedselorganisatie FAO. „Tijdens een echte plaag kunnen die zwermen een omvang bereiken van honderden tot zelfs duizend vierkante kilometer: bijna zo groot als de provincie Utrecht.” Gierst, maïs en sorghum – alles wat de zwermende insecten tegenkomen, eten ze op. Ze laten de lokale boeren berooid achter.

2 Waardoor ontstaat een woestijnsprinkhaanzwerm?

De woestijnsprinkhaan (Schistocerca gregaria) komt voor in zo’n dertig landen in een gebied van Mauritanië tot en met India. In principe leeft de soort solitair; alleen om zich voort te planten zoeken woestijnsprinkhanen gezelschap van soortgenoten op. De vrouwtjes zetten eipakketten in vochtige bodem af. Uit de eitjes komen kleine, vleugelloze sprinkhaantjes – ‘hoppers’ of nimfen – die na vijf vervellingen zijn uitgegroeid tot volwassen sprinkhanen met vleugels.

In droge jaren overleven weinig nimfen. Van Huis: „Als je ervan uitgaat dat een volwassen vrouwtje een paar maanden leeft en in die periode meer dan honderd eitjes legt, dan lopen de aantallen snel op. Als er veel regen valt en er voldoende groene vegetatie is, dan neemt het aantal sprinkhanen binnen een generatie algauw met een factor 10 tot 20 toe.” Bij zulke snel toenemende sprinkhaanaantallen gebeurt er iets geks. Al die solitaire sprinkhanen beginnen geleidelijk te veranderen, qua gedrag en qua uiterlijk. Ze worden groepsdieren, en minder kieskeurig in hun voedselvoorkeuren. Hun hormoonhuishouding wijzigt. Bovendien kleuren ze van lichtbruin of lichtgroen naar felgeel en worden ze iets kleiner – allemaal binnen een tijdsbestek van pakweg drie generaties. De solitaire sprinkhanen zijn ‘gregair’ geworden, groepsvormend – klaar om te gaan zwermen.

Solitaire woestijnsprinkhaan.
Groepsvormende (gregaire) woestijnsprinkhaan.

Er is geen exacte sprinkhanendichtheid te noemen waarbij gregarisatie optreedt. „Maar uit experimenten weten we dat het al kan optreden door met een kwastje over de achterpoten van de sprinkhanen te vegen”, zegt Van Huis. „Het lijkt er dus op dat aanraking een belangrijke rol speelt.”

3 Speelt er nog meer mee behalve regenval en aanraking?

Ja, de locatie bijvoorbeeld. Als in een groot gebied door droogte een paar groene plekken overblijven, dan concentreren de sprinkhanen zich daar. Maar ook als sprinkhanen in de buurt van een topografische barrière komen, neemt de kans op zwermvorming toe. Van Huis: „Aan de voet van een gebergte of aan de kust van een zee verzamelen de sprinkhanen zich. En als ze maar met genoeg individuen zijn, zullen ze vanzelf gregair worden.”

De huidige uitbraak begon al in 2018 in het Midden-Oosten. Van daaruit belandden de woestijnsprinkhanen in het grensgebied India en Pakistan: een berucht gregarisatiegebied, vanwege de bergen. Van Huis: „En vanaf daar is het verleden zomer uit de hand gelopen. Via Saoedi-Arabië, Oman en Jemen zijn ze in Afrika terechtgekomen. Om daar te komen moesten ze de Rode Zee oversteken – ook een plek waar grote hoeveelheden sprinkhanen zich verzamelen. Zodoende konden de zwermen nog verder uitbreiden.”

4 Hoe vaak komt zo’n uitbraak voor?

Aan de recente uitbraak ging een relatief rustige periode vooraf: de laatste echt grote woestijnsprinkhanenplaag, die veertien jaar duurde, eindigde in 1963. Daarnaast zijn er van 1986 tot 1989 en van 2003 tot 2005 nog twee upsurges geweest – perioden met zwermvorming die hadden kúnnen uitgroeien tot een plaag, maar die steeds weer uitdoofden. Ook de huidige situatie wordt vooralsnog gezien als upsurge. Van Huis: „Maar in de periode van 1860 tot 1963 zijn er wel vijf grote plagen geweest.”

De upsurge van 1986-1989 liep door droogte met een sisser af, en die van 2003-2005 stopte door kou in Noord-Afrika. De combinatie van bestrijding en ongunstige weersomstandigheden stoppen de ontwikkeling van een plaag.

5 Werkt klimaatverandering sprinkhaanplagen in de hand?

Klimaatverandering gaat gepaard met hogere temperaturen en meer extreme neerslag – schijnbaar ideale omstandigheden voor zwermvorming. Toch verwacht Van Huis niet dat de huidige upsurge daardoor veroorzaakt is. „Als klimaat doorslaggevend is, waarom waren er dan juist tussen 1860 en 1963 zoveel plagen? Wat je bij klimaatverandering hooguit zal merken, is dat de woestijnsprinkhanen iets noordelijker zullen komen – tot in Zuid-Europa. Maar dat areaal zal niet heel sterk en snel uitbreiden. Dat ze Nederland in de nabije toekomst ook bereiken, lijkt me stug.”

Er zijn wel andere factoren die mogelijk meespelen. Van Huis heeft in Wageningen laboratoriumonderzoek gedaan naar de invloed van met stikstof bemeste planten op sprinkhanen. „Bij sterk bemeste gierstplanten vertoonden ze snellere groei, legden ze meer eieren en gingen ze minder snel dood. Sommige woestijnplanten hebben meer stikstof dan andere en daar concentreren ze zich op.” Ook irrigatie zou gunstig kunnen zijn voor de sprinkhaneneitjes. „Maar juist in gebieden met irrigatie zal er ook extra intensieve controle zijn op de aanwezigheid van hoppers.”

6 Welke oplossingen zijn er?

Op welk moment begin je met bestrijden? Dat is de vraag waar wetenschappers mee worstelen. In het begin van een uitbraak bevinden de sprinkhanen zich in een groot gebied en bij volgende generaties wordt het areaal kleiner, maar de sprinkhanendichtheid groter.

Omdat de eieren zich in de grond bevinden, zijn die niet goed op te sporen. Hetzelfde geldt voor de vleugelloze hoppers: die zijn aanvankelijk nauwelijks met het blote oog te onderscheiden, en verschuilen zich bovendien vaak in de vegetatie. Van Huis: „Wat je ook moet bedenken: alles vindt plaats in lastig begaanbaar terrein, en soms te midden van gespannen politieke situaties. In Egypte heb ik eens een experiment gedaan waarbij ik in twee velden kiezelstenen verborg tussen de graspollen. Vervolgens heb ik tegen vier sprinkhaandeskundigen in elk veld gezegd: ga maar zoeken. In twee tot drie uur vonden ze respectievelijk 10 en 30 procent van de stenen terug. En dan zijn die kiezelstenen nog een stuk makkelijker te zien dan de hoppers. Dus wat moet je dan? Je gaat toch ook niet een gebied van 100.000 vierkante kilometer bespuiten met insecticiden in de hoop daarmee alle hoppers uit te rooien. Dat zou een milieuramp zijn.”

Beter is het om de sprinkhanen te bestrijden als ze meer geconcentreerd zijn. Zwermen zijn goed te bestrijden met insecticiden door vliegtuigen. Maar ook daaraan kleven nadelen. Het kan voor de piloten vrij lastig zijn om de pesticiden in de vliegende zwerm te krijgen, vanwege alle sprinkhanen die het zicht blokkeren. Een ander probleem is de logistiek: hoe krijg je de vliegtuigen en voldoende pesticiden op de juiste plek? Vaak vliegen ze achter de feiten aan. Sprinkhanen zijn koudbloedig, dus ze strijken ’s avonds neer, maar je weet nooit waar en wanneer precies. Vanwege die koudbloedigheid van sprinkhanen zijn ze ook met satellieten niet te detecteren.

7 Waarom eten we ze niet gewoon op?

In theorie zou je sprinkhanen ook met netten kunnen vangen voor consumptie. Toch ziet Van Huis niets in zo’n plan. „Dat zou niet effectief genoeg zijn. Maar het klopt dat woestijnsprinkhanen wel gegeten worden. In Jemen zeggen boeren soms expres niet dat ze de dieren op hun land hebben, omdat ze door bespuiting oneetbaar zouden worden. En in Israël gingen orthodoxe joden in de Negev-woestijn voor dag en dauw op pad om een maaltje sprinkhanen te verzamelen.” Ook vogels eten sprinkhanen. „Dat kan een beginnende uitbraak soms nog wel afremmen. Maar als er eenmaal een echte plaag is, valt daar voor vogels ook niet meer tegenop te vreten.”