In het Rijksmuseum zie je het realisme van Caravaggio en Bernini

Caravaggio – Bernini Op een nieuwe tentoonstelling in het Rijksmuseum zien we het realisme van de katholieke kunst uit de zeventiende eeuw. Zelfs in het gereformeerde Nederland maakte die diepe indruk.

De extase van Maria Magdalena, (1620-25 of 1630-35) van Artemisia Gentileschi.
De extase van Maria Magdalena, (1620-25 of 1630-35) van Artemisia Gentileschi. Foto Dominique Provost

Tijdens de protestantse Reformatie werd het beeld in de ban gedaan. Het ware geloof, zo meenden de protestanten, kon het zonder kunst stellen. Schilderijen en beeldhouwwerken werden uit de kerken verwijderd, soms zelfs hardhandig – denk aan de Beeldenstorm. Maar in de Contrareformatie, het tegenoffensief dat de Katholieke Kerk later in de zestiende eeuw begon, was voor het beeld nu juist een belangrijke rol weggelegd. De Roomsen zetten de kunst weer volop in als propagandamiddel. Het realisme werd opgevoerd, zodat de voorgestelde heiligen en andere kerkelijke figuren net echt leken – je kon ze haast aanraken. Het drama werd ook opgevoerd, zodat de kijker andersom werd aangeraakt door de strekking van het verbeelde verhaal. Zien is geloven, was het idee.

Zelfs hier te lande, waar de gereformeerde kerk toch stevig in het zadel zat, maakte de katholieke kunst diepe indruk. Zonder Caravaggio (1571-1610) geen Utrechtse caravaggisten, en zonder caravaggisten geen Rembrandt. In het Rijksmuseum, de tempel van de zeventiende-eeuwse Nederlandse schilderkunst, is nu een tentoonstelling gewijd aan de kunst die in dezelfde tijd gemaakt werd in Rome, het kloppende hart van de Contrareformatie. Het museum werkte samen met het Kunsthistorisches Museum in Wenen, waar Caravaggio – Bernini. Barok in Rome afgelopen najaar al te zien was. Net als bij de vorige grote tentoonstelling in het Rijks, Rembrandt – Velázquez, trekken de twee bekendste namen de aandacht terwijl er ook veel werk van minder beroemde tijdgenoten te zien is. De titel maakt wel meteen duidelijk dat schilderkunst (Caravaggio) en beeldhouwkunst (Bernini) in het Rome van de zeventiende eeuw op gelijke voet stonden en daarom gemengd worden gepresenteerd.

Uitleven op een kraag

In Wenen hingen vier grandioze Caravaggio’s die helaas niet zijn meegekomen naar Amsterdam. De kunst van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) is wel heel goed vertegenwoordigd. Zo is uit Madrid zijn vroege Sebastiaan ingevlogen, uit Florence een terracotta model voor de olifant die Ercole Ferrata later in marmer neerzette op het Piazza Santa Maria Sopra Minerva, en uit particulier bezit een model voor de triton in Bernini’s beroemde fontein op het Piazza Navona. Zijn kwaliteit als portrettist blijkt uit portretbustes van de Franse kardinaal Richelieu (Louvre, Parijs) en de Engelse edelman Thomas Baker (Victoria and Albert Museum, Londen). De laatste had weelderige lange lokken waarop de beeldhouwer zich lekker kon uitleven en een versierde kanten kraag die nog moeilijker dan dat kapsel uit marmer te hakken moet zijn geweest. Volkomen vanzelfsprekend ligt het kant op Bakers borst en schouders: een kleedje geknipt uit steen.

Uit Bernini’s omgeving is onder anderen zijn voormalige assistent Giuliano Finelli present, die in 1632 zijn leermeester naar de kroon stak met een buste van de corpulente kardinaal Scipione Borghese: tikkeltje scheefgezakt, knoopjes van zijn mantel niet allemaal dicht, een capuchon die zijn schoudermantel iets van een hedendaagse hoodie geeft. En als u het beeld dan toch van opzij aan het bekijken bent, let dan ook even op het haar in de nek en rond de geweldige oren.

Buste van Thomas Baker (ca. 1638) van Gian Lorenzo Bernini.
Foto Victoria & Albert Museum
Kardinaal Scipione Borghese (1632) van Giuliano Finelli.
Foto Gijsbert van der Wal
Links: Buste van Thomas Baker (ca. 1638) van Gian Lorenzo Bernini.
Rechts: Kardinaal Scipione Borghese (1632) van Giuliano Finelli.

Foto’s Victoria & Albert Museum/Gijsbert van der Wal

Vlezig marmer, harig marmer: als het om realisme gaat wint de beeldhouwkunst het hier van de schilderkunst. Oké, de roodverbrande v-halzen op Caravaggio’s bleke bovenlijven laten zich niet in marmer benaderen. Maar hoe goed hij en de schilders in zijn omgeving licht en schaduw in gezichten en ledematen ook suggereerden in verf, in de beelden zijn die volumes écht. Driedimensionaal. Je vinger kan zo dat oor van kardinaal Borghese in.

Leesbare beeldtaal

En naast het verhoogde realisme is er dus het verhoogde drama. In marmer en olieverf worden grote gevoelens overgedragen. Affecten, in de taal van de tijd. De tentoonstellingsmakers onderscheiden onder meer verbazing, liefde, extase, afschuw, lijden en medelijden – een emotie per zaal. Voor een deel krijgen we dezelfde scènes te zien als een jaar geleden op de grote Caravaggistententoonstelling in Utrecht: de onthoofdingen van Goliath en Holofernes, martelingen en visioenen van heiligen, Christus die zijn wonden toont aan wie hem niet gelooft. Dat er – ook in niet-religieuze taferelen – hevige emoties moeten worden uitgedrukt en opgeroepen is duidelijk, maar de beeldtaal is die van vierhonderd jaar geleden, en die is niet altijd even leesbaar meer. In de catalogus worden de voorstellingen uitgebreid beschreven, maar slaakt Caravaggio’s Jongen gebeten door een hagedis (ca. 1598) nou echt „een kreet van pijn en verbazing”? Hij deinst terug en kijkt geïrriteerd, dat wel, met zijn mond een beetje open. Maar een kreet, nee.

Jongen gebeten door een hagedis (ca. 1598) van Michelangelo Merisi da Caravaggio. Foto Giusti

Over het schilderij Schreeuwende man van Trophîme Bigot (een in Rome werkzame Fransman) lezen we dat „een uitgeholde en van binnenuit verlichte kalebas een eenvoudig geklede man op de vlucht [laat] slaan. De hevigheid van diens schrik is niet alleen te zien aan zijn wijd opengesperde mond – de man stoot vermoedelijk een kreet uit – maar ook aan het gebaar dat hij maakt met zijn linkerhand.” Kijken we van deze tekst naar het schilderij, dan zien we daar inderdaad een mond openstaan, maar dat is de mond van een acteur die langdurig met open mond staat te poseren. Zijn handgebaar is ook duidelijk gespeeld. Op de hedendaagse kijker maken de verbeelde affecten een gekunstelde, inderdaad geaffecteerde indruk. Ze spreken niet meer vanzelf, ze behoeven uitleg. Over Artemisia Gentileschi’s Extase van Maria Magdalena, waarin de heilige zich met gesloten ogen overgeeft aan haar visioen, hoorde ik een bezoeker zeggen: „Of ze zit gewoon bij de pedicure.”

Worden zulke verhalen in de hedendaagse schilderkunst dan anders of zelfs beter verteld? Nee, want er zijn nog wel figuratieve schilders, maar die vinden anekdotisch meestal al een vies woord, laat staan dat ze verhalende schilderijen maken. Voor verhalen moet je tegenwoordig op het witte doek zijn, niet op het schilderslinnen. Maar in films is er veel meer tijd, daarin hoeft niet alles in één shot te worden uitgedrukt. Bij Bigots geposeerd schrikkende man zou de geslaakte kreet nu komen van de regisseur: „Cut! Nog een keer, en nu alsof je het meent.”

Caravaggio – Bernini is een tijdcapsule. De tentoonstelling geeft een goed beeld van hoe verhalen vroeger verteld werden, van hoe affecten werden verbeeld tijdens de Contrareformatie – aan de hand van kostbare kunstwerken uit de hele wereld. Het is bijzonder dat het Rijksmuseum zo veel moois te leen heeft, zeker als je bedenkt dat de beste kunst uit Rome natuurlijk stevig is vastgeklonken in de kerken en op de pleinen van de Eeuwige Stad.

Visueel benauwend

We moeten het alleen nog wel even hebben over de vorm waarin het museum al dat moois laat zien. De tentoonstelling is door het vormgeversduo Formafantasma ingericht als een beurs voor vintage design. Op witte wanden zijn kleurvlakken van verticale panelen bevestigd: geel, roze, pastelblauw, oranjebruin. Vaak zwemt er in zo’n kleurvlak een schilderij, soms staat er een beeld voor, soms ook is het helemaal leeg, als een decoratief element. Wit marmer gedijt nog wel in een lichte omgeving, maar clair-obscurschilderijen, effectief gemaakt voor donkere kerken en kamers, worden hier nog veel zwarter dan ze toch al waren. Spannend bedoeld werk verliest zo zijn aantrekkingskracht. En behalve de visueel benauwende kleurvlakken zijn er in de zalen ook fysieke vernauwingen. Zichtlijnen worden geblokkeerd door wanden die vaak alleen die vernauwing of blokkade tot doel lijken te hebben. Veel van de bijzondere bruiklenen kun je niet van een afstand bekijken en voor de suppoosten lijkt het me ook een hele klus om die waardevolle kunst te bewaken: ze hebben haast nergens een goed overzicht. De kunst van de Italiaanse Barok krijgt in dit tentoonstellingsontwerp de kans niet om te stralen. Ze wordt op een bijna pesterige manier klein gehouden en aan het zicht onttrokken. Dat heeft eigenlijk iets heel gereformeerds.

Foto Olivier Middendorp
De tentoonstellingsruimte in het Rijksmuseum.
Foto’s Olivier Middendorp

Caravaggio – Bernini. Barok in Rome. Tot en met 7 juni in het Rijksmuseum, Amsterdam. rijksmuseum.nl