Opinie

Te mooi

Ellen Deckwitz

‘Draait hij nu al twee uur lang hetzelfde nummer”, vraag ik, en mijn zus knikt uitgeput. „Gast”, zeg ik als ik de deur van mijn neefjes (13) slaapkamer opendoe, „zet eens wat anders op.” Het neefje ligt op bed, zijn armen boven zijn hoofd gevouwen.

„Nog heel even”, zegt hij, „ik ben het liedje bijna zat.”

„Hoezo wil je het zat zijn?”

„Dat is toch normaal”, zegt hij verontwaardigd, „dan word je niet meer de hele tijd geteisterd door het te willen horen.”

Oké, goed punt. Lang geleden, toen ik nog vol dromen en collageen zat, kon ik ook heel erg geïrriteerd zijn als ik een nummer prachtig vond, doordat je eraan verslaafd raakte en je door allerlei omstandigheden het niet de hele tijd kon luisteren. Wat niet hielp is dat we bij ons in de familie de gave hebben om extreem traag verzadigd te raken, waardoor het dagen kan duren voordat je een track beu bent.

In de loop der jaren ontdekte ik dat die verzadiging sneller optreedt als je het nummer auditief uitvlooit: bij elke repeat je op iets anders concentreren. Eerst op de hoofdlijn, dan op de bas, de drum, de harmonieën, tot je alle ingrediënten uit je hoofd kent. Op een zeker moment zie je met hoe relatief weinig middelen zo’n ding is opgebouwd en kun je gaan beginnen met bagatelliseren. Neem een nummer als ‘More Than Words’ van Extreme: dat is zo te horen alleen maar twee mannen in wat strakke broeken, een gitaartje en een galmbak.

Verdorie, denk je dan op een zeker moment, alweer die dubbele klop op de klankkast, nou kennen we het wel. Als je het liedje dan eindelijk van haver tot gort kent, komt het moment van bevrijding: het wordt voorspelbaar en zo valt het nummer uit elkaar, als een suikerklontje op de bodem van een glas hete thee. En dan ben je eindelijk verlost. Dat wil zeggen: weer gewoon onverschillig.

Ruim een uur later komt het neefje beneden, een beetje bleek, maar dat lijkt me niet meer dan normaal als je drie uur lang naar ‘Ze huilt maar ze lacht’ van Maan hebt geluisterd.

„Ben je het zat?”, vraag ik.

„Ja”, zegt hij opgelucht, „het enige wat ik nu mis, is dat ik iets heel mooi vond, maar daar kan ik prima mee leven. Dingen waar je te veel van houdt moet je zo snel mogelijk verwerken. Anders gaan ze je achtervolgen.”

En dan pakt hij de prachtigste appel van de hele fruitschaal en neemt er een beestachtig grote hap uit.

,,Van schoonheid”, zegt hij, terwijl het sap als bleek bloed langs zijn mondhoeken golft, „moet je gewoon zo snel mogelijk zien af te komen.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.