Foto Frank Ruiter

Interview

‘Huwelijkstrouw zit bij ons in de familie’

Lunchinterview Harold Hamersma (63), wijnkenner, schreef een autobiografisch boek over zijn moeder, zijn vader, de buurt van zijn jeugd. „Je moest je afzetten.”

Harold Hamersma wil net zijn telefoon uitzetten als zijn zoon belt. Dan neemt hij altijd op. „Kan ik je zo nog even… hoe laat vlieg je weg?” Zijn zoon verkoopt restaurantconcepten aan internationale hotelketens. „Hij vliegt de hele wereld over.”

Wij zitten in de Pijp, Amsterdam. Daar speelt zijn deze maand verschenen boek zich af: Onder de rook van de Heineken. Een jeugd in de Pijp. Hamersma poetst zijn brillenglazen met zijn servet. Hij heeft voor deze afspraak ook gedacht aan Café Caron, waar hij leerde biljarten toen het nog café ’t Hoekje was, en tapasrestaurant Escobar, het badhuis waar hij wekelijks kwam met zijn vader omdat er thuis geen douche was. Maar die serveerden geen lunch, dus het werd Maris Piper. Dat was de ijssalon annex snoepwinkel waar hij trekdrop kocht voor vijf cent.

Nu is het een luxe restaurant – misschien ken ik het verhaal? Drie angry young tigers uit Breda, een van hen is met Katja Schuurman getrouwd. Hij bestelt de krab omdat die in zijn boek wordt genoemd. „Als je wilt kunnen we hem delen.” Erbij: spruitjes en sla. Of wil ik nog koolhydraten? Nee, hij ook niet. „Het klinkt misschien raar, maar ik ben niet zo’n grote eter.” Zijn leven bestáát namelijk uit eten en drinken. Dat van zijn vrouw ook. Zij heeft een kookboekenwinkel.

Of het erg is als hij ook geen wijn neemt, hij heeft een alcoholvrije dag. Maar dat trekt hij even later weer in. Het zou natuurlijk absurd zijn, een wijnschrijver – ook voor NRC – die geen wijn drinkt. „Een glaasje Van Volxem Riesling”, wordt het. De serveerster zet mosselen van het huis neer.

Harold Hamersma, een man van veel woorden. Ze rollen uit zijn mond en landen al even makkelijk op papier, voor zijn autobiografische boek net zo goed als voor zijn gastronomische werk. Even „scheet” hij „dunne poep” toen hij aan dit boek ging beginnen – het zou toch maar, op zijn 63ste, zijn „literaire debuut” worden. Maar hij ging gewoon zitten en produceerde de woorden, zo’n duizend per dag.

Woordspelingen schuwt hij niet. Zijn moeder, een joodse vrouw die veel door Amsterdam loopt, is niet zozeer de „wandelende rode draad” in zijn boek, zegt hij, als wel de „wandelende jodendraad”. 86 jaar is ze en kérngezond. Óérsterk. Superlatieven schuwt hij ook niet. Ónwaarschijnlijk trots is hij op zijn dochter, forensisch criminoloog in San Francisco, de schrik van de witteboordencrimineel. En zijn moeder was ónwaarschijnlijk mooi – nog steeds.

Zijn moeder.

Met haar is het begonnen. Een uitgever vroeg hem om een bijdrage aan een bundel waarin BN’ers vertellen wat ze van hun moeder hebben geleerd. Nou, één ding heeft hij niet van haar geleerd: koken. „Water liet ze nog aanbranden. Dat ik mijn jeugd heb overleefd, is omdat mijn vader ging koken toen hij jong was afgekeurd.” Het verhaal over zijn moeder sloeg aan, zozeer dat er een boek kwam. Je neemt mensen mee naar een tijd die er niet meer is, zei de uitgever. Dat lezen ze graag.

Zijn moeder had een verschrikkelijke jeugd. Nog veel erger, zegt hij, dan je na het boek zou kunnen denken. Ook hij weet lang niet alles, ze heeft er altijd weinig over losgelaten. Háár moeder keek niet naar haar om en had steeds andere mannen, die ook weleens hun oog lieten vallen op de twee jonge dochtertjes. Uiteindelijk is ze uit de ouderlijke macht gezet.

Toch: zijn „optimisme, opgewektheid, positieve inborst”, die heeft hij van zijn moeder. Het glas is bij haar altijd halfvol. „Als het slecht weer is vindt zij het mooi weer, als het mooi weer is vindt ze het schitterend.”

Van háár moeder moest ze niets meer hebben. Toch ging het gezin Hamersma om de zondag trouw bij ‘oma Miegie Paardenvliegie’ op visite. „Klaverjassen, Langs de Lijn luisteren. Mijn moeder deed dan niet echt mee.” Waarom ging ze? „Het móést waarschijnlijk, het hoorde. Dat vond mijn vader. Ze ging mee met mijn vader, zoals altijd.” Als oma was Miegie Paardenvliegie wel een succes. „Een humor! Ze tapte moppen, ze was gul. Ze was onze lievelingsoma.”

Zijn joodse afkomst heeft nooit echt iets voor hem betekend. Religie speelde geen rol. Een tante van zijn moeder, Branca, was met haar zes kinderen in Auschwitz vergast. Dodenherdenking heette jodenherdenking, is nog altijd een belangrijk ritueel. Hij heeft zijn moeder gevraagd of ze bang is geweest in de oorlog, bijvoorbeeld dat haar moeder zou worden weggehaald. Nou, dat viel eigenlijk wel mee. „Misschien hóópte ze het wel, we don’t know.”

Bij mijn vader mérkte ik hoe ongelooflijk hij van me hield

Harold Hamersma

Harold, de oudste van twee zonen, was een verlegen jochie. Haroldje Dwarreltje was zijn moeders koosnaam voor hem. Van zijn vader moest hij op judo om zich te leren verdedigen tegen de grote buurtjongens. In de puberteit sloeg het om, werd hij een van de grootste raddraaiers op school. Kalkte de wc’s vol, liet zich insluiten, gooide het planningbord in de war. Waarom weet hij eigenlijk niet. „Je moest je afzetten.”

In vwo zes werd hij van school gestuurd. Zijn vader woest, die wilde dat zijn zoons het beter zouden krijgen dan hij. Hersens hadden ze wel, maar doorleren zat er niet in. Jeroen ging naar de banketbakkersschool. Harold begon nog even zonder overtuiging op de pedagogische academie, om op zijn negentiende bij EMI Records te gaan werken, waar hij biografietjes schreef over Pussycat, BZN, Robert Long, The George Baker Selection. Daarmee deed hij wat hij wilde, schrijven, wat hij altijd zou blijven doen.

Pearle Pearle Pearle

Rond zijn twaalfde al had hij zijn eerste typemachine gekocht, een Underwood, er is een foto van. Vanaf zijn zestiende schreef hij korte verhalen. Hij las ze graag voor aan de klas, bij voorkeur tijdens economie. „De dood van mijn poes. Allemaal huilende meisjes.” Hij debuteerde een paar jaar later in de glossy Avenue. Kreeg er een cheque voor van 350 gulden. Maar het verhalen schrijven was toen al op de achtergrond geraakt.

Zijn geld verdiende hij in de reclame. Begonnen als junior copywriter met de teksten voor de IKEA-catalogus, bedacht hij later evergreens als: ‘Nationale Nederlanden, wat er ook gebeurt’, ‘Pearle Pearle Pearle’ en ‘Gaat er eigenlijk weleens een dag voorbij zonder Verkade’. „Het woord ‘eigenlijk’, dat vond ik zó mooi. Ik heb slaande bonje gehad met de marketingmanager die vond dat dat weg moest.” Hij slaat staccato met zijn vuist in zijn hand: „Geen - dag - zonder - Verkade! Al-tijd Verkade, dat móést.”

Wijn bestond niet in zijn jeugd, hij leerde het kennen toen Albert Heijn in de jaren zeventig literpakken Pinard op de markt bracht. Het werd zijn hobby, en toen hij geld genoeg had zijn nieuwe vak. Het ging hem vooral om „de verhalen erachter”. Lang voor hij besloot wijnschrijver te worden was De complete wijnliefhebber van Hubrecht Duijker al zijn lievelingsboek.

Zijn vader overleed in 2015. Nee, dat heeft niets te maken met het verschijnen van een boek over zijn verleden. Het was een mooie dood, tijdig, nog een wonder dat hij 86 is geworden met maar één long – de ander verloor hij aan tbc. De kist werd weggedragen op de klanken van ‘Dag Sinterklaasje’, een idee van zijn moeder omdat zijn vader altijd met hart en ziel Sinterklaas had gespeeld.

Was het een goed huwelijk?

Ja, zegt hij zonder aarzelen. „Nou”, zegt hij, „van mijn váder weet ik het zeker”. Die droeg zijn vrouw op handen. „Trouw, dat zit bij ons in de familie. Mijn ooms ook, met hun vrouw, dat is echt worship. Ik ben ook al 46 jaar met mijn vrouw. Dat is vrij lang hoor.”

Of zijn moeder van zijn vader hield, dát weet hij eigenlijk niet. „Die man was er, zorgde voor haar.” Ze was een afhankelijke vrouw. Al heeft ze wel gewerkt, tegen de zin van zijn vader, die vond dat de man de kost moest verdienen. Ze werkte in een schoenenzaak en als suppoost in het Stedelijk Museum. Op de uitvaart van zijn vader liet ze geen traan, hij vroeg haar later waarom niet. Het antwoord: „Die man was op.” En: „Ik had me voorgenomen niet te huilen.”

Imelda Marcos

Zijn moeder begint „langzaam geestelijk te rafelen”. Ze móét elke dag het huis uit, lopen lopen lopen. Naar markten, schoenen kijken. En kopen – de Imelda Marcos van de Rivierenbuurt noemt hij haar in zijn boek.

Zij las het eerste hoofdstuk, over haar jeugd, toen het werd afgedrukt in Het Parool. Ze scheurde het uit en vertelde hem dat ze het vijf keer had gelezen. „Ik zeg: zo! Ik zeg: én? Ze zegt: ik ben heel trots op je. Ik denk: verrek.” Dat had ze nog nooit gezegd. „En ik heb het ook nooit gevóéld. Dat is geen verwijt. Het ging prima, ik deed het leuk op school, ik had goede schik.”

Harold Hamersma selecteert elk jaar voor NRC de honderd beste supermarktwijnen. Lees ook: De 100 beste supermarktwijnen van nu

Een verschil met zijn vader was er wel. „Bij hem mérkte ik, ondanks alle slagen voor mijn kop, hoe ongelóóflijk veel hij van me hield. Ik werd als kind eens in elkaar geslagen door een rondvaartbootkapitein omdat ik het dek had besmeurd. Mijn vader zegt tegen die man: er is er maar een die mijn kinderen slaat en dat ben ik.”

Aan het eind van het boek verhuizen Hamersma en zijn vrouw na dertig jaar in „duur Zuid” terug naar de Pijp. Verrassing: ze blijken daar alweer weg te zijn. Viel de buurt tegen? Dat niet, en ze hadden een prima huis, er waren kasten getimmerd waarin duizend wijnflessen rechtop konden staan. Maar er was weinig buitenruimte, de achterburen zaten wel erg op je lip. „En ze rookten.” Ze keerden terug naar hun pand in Zuid, nu op de bovenverdiepingen die ze voorheen aan expats verhuurden.

Hoe was de wijn, vraag ik. Van Volxem, bijzonder verhaal, zegt hij. „Een heel grote jongen, nog langer dan ik, familie steenrijk geworden met Bitburgerbier. Maar hij wilde geen bier, hij wilde wijn.” En weg beent hij, naar zijn wijnuitgever, praten over de supermarktgids.