Opinie

Hoogste tijd dat Defensie echt openheid van zaken geeft

bombardement Hawija

Commentaar

En opnieuw mag minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) zich in de Tweede Kamer komen verantwoorden over het bombardement van een munitieopslagplaats in juni 2015 in het Iraakse Hawija. Een aanvankelijk niet gemeld bombardement uitgevoerd door een Nederlands F16-gevechtsvliegtuig waarbij naar schatting zo’n 70 burgerdoden vielen. Het zal, sinds de zaak november vorig jaar begon te spelen, de vierde keer zijn dat Kamerleden met de minister het debat zullen aangaan. Want nog altijd duiken er nieuwe feiten op.

De Nederlandse betrokkenheid bij het bombardement is pas vorig jaar oktober toegegeven. Dat gebeurde nadat NRC en NOS dit hadden onthuld. De Tweede Kamer vroeg direct om opheldering maar zag zich in het spoeddebat geconfronteerd met een weinig overtuigende minister, die ternauwernood een motie van wantrouwen overleefde. Het gevolg was dat ze nog enkele keren over hetzelfde onderwerp op herhaling kon in de Tweede Kamer. Na het krokusreces wordt zij wederom verwacht.

Nu gaat het om een intern document van Defensie dat NRC en de NOS kregen met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Hieruit blijkt dat van te voren het risico op meer dan normale schade van de voorgenomen aanval op de bommenfabriek van IS wel degelijk is onderkend. Anders gezegd: de ontstane aanzienlijke nevenschade als gevolg van de opgeslagen munitie was minder verrassend.

De vraag is zodoende of de geldende procedures wel in voldoende mate zijn gevolgd toen na de doelenselectie de risicoanalyse was gemaakt. Het werpt in elk geval een ander licht op wat tot nu toe van de zijde van het kabinet is beweerd. Dat stelde dat pas later bleek dat in de te bombarderen fabriek veel meer explosieven hadden gelegen „dan vooraf bekend was of konden worden ingeschat”.

Minister Bijleveld mag het opnieuw uitleggen. Dat wil zeggen: proberen uit te leggen. De ‘beetje-bij-beetje-informatie’ maakt het er niet helderder op. Dit maakt dat het debat niet alleen zal moeten gaan over de gebeurtenissen in Hawija, maar tevens over de gebrekkige wijze waarop de minister rekenschap aflegt tegenover de Tweede Kamer. Keer op keer belooft zij beterschap, maar eveneens blijkt dit keer op keer niet het geval. „Hierbij is al het mogelijke gedaan om informatie vast te stellen”, aldus de omineuze zin in de brief van eind november aan de Tweede Kamer aan de vooravond van alweer een debat. Maar er is dus wederom nieuwe informatie.

Het heeft allemaal een hoog déjà-vu gehalte. Het departement heeft patent op het niet, gebrekkig, onvolledig of onjuist informeren. Dat geldt niet alleen voor het parlement maar soms ook de eigen bewindslieden. De bekende ‘need to know’ blijkt bij Defensie telkens weer op een bijzondere manier te worden ingevuld. Want het blijft verbazen dat als er iets is misgegaan het ministerie niet in staat is in volledig opening van zaken te geven. Srebrenica, de kwestie met klokkenluider Spijkers (ondeugdelijke mijnen) , het mortierongeluk in Mali, de Chroom-6 affaire (giftige verf), het zijn voorbeelden uit een lange reeks.

Een goede en betrouwbare krijgsmacht is gebaseerd op een ijzeren discipline. Het is treurig dat die discipline bij Defensie als het aankomt op verantwoording het telkens weer laat afweten.