Eerlijk belonen in de culturele sector kost twintig miljoen

Loon naar werk De Tweede Kamer vroeg om een onderzoek naar onderbetaling in de culturele sector. Dat is nu klaar. Als er geen extra geld komt, moet het aantal uitvoeringen omlaag. Dat drukt de kosten ook.

Minister Van Engelshoven: fair pay „vraagt scherpe keuzes van de sector die niet altijd makkelijk zullen zijn”.
Minister Van Engelshoven: fair pay „vraagt scherpe keuzes van de sector die niet altijd makkelijk zullen zijn”. ANP/Koen van Weel

Het invoeren van loon naar werk bij culturele instellingen, gezelschappen en festivals die worden gesubsidieerd door het rijk, zou twintig miljoen euro kosten. De helft van dat geld is voor onbetaald structureel overwerk, de andere helft omdat de beloning tekortschiet.

Dat staat in het onderzoek ‘Gevolgen van de toepassing van de Fair Practice Code’ dat minister Van Engelshoven (D66, Cultuur) woensdag aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. De Kamer had juli 2019 om dit onderzoek gevraagd en debatteert over de conclusies op 4 maart.

In een begeleidende brief schrijft de minister dat een eerlijke beloning „scherpe keuzes van de sector vraagt die niet altijd makkelijk zullen zijn”. Eerder liet ze al weten dat het betalen van fair pay in de culturele wereld een voorwaarde wordt voor rijkssubsidie, terwijl tegelijk het kabinet er geen miljoenen voor uit gaat trekken. De oplossing is dan dat instellingen, gezelschappen en festivals bij hogere personele lasten, hun kosten terugbrengen. Dit kan door de inkomsten te laten groeien, wat vaak moeilijk is. Of door het aanbod te verminderen: minder uitvoeringen.

Uitsmeren

Uit het onderzoek blijkt nu dat de gevolgen van een eerlijke beloning sterk zullen variëren. (Middel)grote instellingen en gezelschappen, musea en grote festivals zullen de meerkosten van een eerlijke beloning vrij makkelijk kunnen opvangen. Bij hen gaat het bij fair pay om gemiddeld maximaal 4 procent meer personele lasten. De hogere personeelslasten kunnen ze uitsmeren over de vier jaar van de hun toegekende subsidie: die tijd krijgen ze van de minister.

Lees ook: De twee dilemma’s van de minister voor cultuur

Bij andere, vooral kleinere instellingen, gezelschappen en festivals gaat het om hogere meerkosten. Dat varieert van 7 procent extra personele lasten bij middelkleine theatergezelschappen tot wel 32 procent bij middelkleine muziekensembles. Van de 53 meerjarig door het rijk gesubsidieerde festivals, zouden de kleine festivals bij loon naar werk 17 procent meer personele lasten hebben, de middelgrote festivals 10 procent. Bij kleinere instellingen, gezelschappen en festivals zijn de personele lasten hoog ten opzichte van de kosten van de activiteiten.

711 minder muziekuitvoeringen

In het onderzoek is berekend met hoeveel het aantal uitvoeringen afneemt als er loon naar werk zou worden betaald, terwijl tegelijk het rijk geen extra geld beschikbaar stelt. Er zouden dan jaarlijks 559 (19 procent) minder uitvoeringen zijn van kleine theatergezelschappen en 122 (7 procent) van middelkleine theatergezelschappen. Bij kleine en middelkleine dansgezelschappen: 78 minder uitvoeringen (12 procent). Klein tot en met middelgroot muziektheater: 163 minder uitvoeringen (17 procent). Kleine, middelkleine en middelgrote muziekensembles: 711 minder uitvoeringen (30 procent). Festivals: 18 festivaldagen minder (15 procent) bij kleine festivals en 15 dagen minder (8 procent) bij de middencategorie.

Het onderzoek heeft ook een andere financieringsvorm voor fair pay tegen het licht gehouden: als een aantal gesubsidieerde instellingen, gezelschappen of festivals zou verdwijnen, zou er meer geld beschikbaar zijn voor de overblijvers. Deze optie, schrijft de minister, laat ze buiten beschouwing „omdat op dit moment de bestaande kaders (huidige instellingen en huidig financieel kader) het uitgangspunt zijn”.