Recensie

Recensie Boeken

De mens raakt vermalen tussen twee elites

Thomas Piketty In ambitie doet het nieuwe boek (●●●●) van de Franse ‘rockster-econoom’ Piketty niet onder voor zijn voorganger. Waarom, zo vraagt hij zich af, is de ongelijkheid in de wereld zo hardnekkig?

Wie tien jaar geleden voorspeld zou hebben dat een Franse econoom wereldwijd de bestsellerlijsten zou aanvoeren met een boek van achthonderd pagina’s over vermogensongelijkheid, zou vreemd zijn aangekeken. Toch maakte Thomas Piketty furore met Kapitaal in de eenentwintigste eeuw (2014). Hij wist een wereldwijde discussie aan te zwengelen over de ongelijke verdeling van vermogen en inkomen, die zelfs de Tweede Kamer bereikte. Het bleek het zeldzame type boek dat in staat is een hele discipline (de economische wetenschap) tegen de schenen te schoppen en in een adem door een eigen onderzoekstraditie te stichten. Er zijn auteurs die het vervolgens wat rustiger aan doen. Zo iemand is Piketty niet. Vorig jaar verscheen het al even volumineuze vervolg, Capital et idéologie, waarvan deze maand de vertaling wordt gepresenteerd.

In ambitie doet het boek niet onder voor zijn voorganger. Het is een boek van de grote greep, en de reikwijdte van de auteur kan niet anders dan indrukwekkend genoemd worden. Piketty (1971) behandelt een reeks ‘ongelijkheidsregimes’ van de middeleeuwen tot de huidige tijd. De Chinese verhoudingen ten tijde van de 17de en 18de-eeuwse Mantsjoe-dynastie worden besproken, de koloniale samenlevingen in Azië en Afrika, de slavernij in het Amerikaanse zuiden alsook de Franse Revolutie en de postcommunistische transitie in Rusland en Oost-Europa na 1989. Dit alles met behulp van een indrukwekkende hoeveelheid data, afkomstig uit belastingarchieven, censusdata en kiezersonderzoek. Het boek biedt zo een historische verdieping en geografische verbreding van de centrale stelling van Piketty: dat ongelijkheid ingebakken zit in de structuren van het moderne kapitalisme.

Ook probeert Piketty met dit nieuwe boek tegemoet te komen aan een van de belangrijkste kritiekpunten op zijn werk. Hem is verweten dat zijn argument wel erg deterministisch is, en weinig ruimte laat voor menselijk handelen.

In Kapitaal in de eenentwintigste eeuw liet hij zien dat rijkdom de inherente neiging heeft zich op te hopen binnen het kapitalisme, omdat vermogen sneller groeit dan inkomen. Het kapitalisme gaat zijn eigen polariserende gang, zonder dat we daar ogenschijnlijk veel aan kunnen doen. In de 20ste eeuw, zo stelde Piketty, waren het alleen de twee wereldoorlogen die de inherente trend tot groeiende ongelijkheid teniet konden doen.

Lees ook het interview van onze Frankrijk-correspondent met Piketty: De rijken worden een angstaanjagende elite

In zijn nieuwe boek benadrukt hij – soms op het vervelende af – dat de politiek er wel degelijk toe doet, dat de loop van de geschiedenis niet vaststaat en dat andere wegen bewandeld (hadden) kunnen worden. Het is, kortom, een verhaal van maakbaarheid. De structuren van het kapitalisme tenderen naar ongelijkheid, alleen zijn wij nog altijd zelf de auteurs van die structuren.

Krijgerselite

Een opmerkelijke leemte is dat het – anders dan titel en inleiding doen vermoeden – niet echt over ideologie gaat. Piketty benadrukt weliswaar voortdurend het belang van ideologie in het legitimeren van ongelijkheid, maar hij gaat daar nergens echt op in. Afgezien van beknopte referenties aan conservatieve (Burke), liberale (Calhoun) of neoliberale (Hayek) denkers, gaat het boek in wezen niet over politiek gedachtegoed. ‘Kapitaal en politiek’ dekt de inhoud veel beter, al klinkt dat misschien wat minder sexy.

Waar Kapitaal in de eenentwintigste eeuw bovenal een studie van bezitsverhoudingen is, daar verkent Kapitaal en ideologie de politieke strijd over bezitsverhoudingen door de eeuwen heen. De focus ligt op de interactie tussen politieke systemen en eigendomsstructuren. Piketty gebruikt het begrip ‘ongelijkheidsregime’ om erop te wijzen dat de twee inherent met elkaar verknoopt zijn. Hij onderscheidt zes ideaaltypes van dit soort regimes. Als eerste de premoderne ‘drieledige samenlevingen’, met als toonaangevende groepen de krijgerselite (de aristocratie), de intellectuele elite (de geestelijkheid), en de derde stand (boeren, middenstand) die de eerste twee mocht onderhouden. Zowel geestelijkheid als aristocratie, zo laat Piketty zien aan de hand van oude archieven, bouwde via eigen belastingheffing uitgebreide bezittingen op en verkreeg bijzondere privileges.

Het systeem is eigenlijk failliet, maar we blijven met z’n allen toch vrolijk meedoen. Dat zorgt voor absurde taferelen. Lees ook de column: Mensen van het laatkapitalisme

Vervolgens lezen we over de 18de- en 19de-eeuwse ‘eigendomssamenlevingen’ ofwel burgerlijke samenlevingen waarin eigendomsrechten losgekoppeld werden van privileges. Het privé-eigendom in deze periode kreeg een bijna heilig karakter. De ongelijkheid zou tot aan de Belle Époque tot ongekende hoogten groeien. Tot op dit punt is het nog een overwegend Europees narratief. Dat verandert als Piketty ‘slavensamenlevingen’ en ‘koloniale samenlevingen’ behandelt. Hij laat hierbij zien wat een bijzonder lange schaduw de koloniale slavernij voor zich heeft uitgeworpen. De afschaffing van de slavernij betekende geen einde aan de oude structuren. Britse en Franse slavenhouders werden met publiek geld gecompenseerd, waardoor de oude bezitsverhoudingen in feite werden bevroren. Na de afschaffing deden de koloniale machten weinig om de oude ongelijkheden te bestrijden. Integendeel, de overheden in de kolonies hadden regressieve belastingsystemen, en besteedden hun geld hoofdzakelijk aan de luxe levensstijl van de Europese ambtenarij. Ook India, China, Japan en Iran komen aan bod, en we zien hoe het contact met het westen de premoderne drieledige structuren veranderde of soms juist versterkte.

De rijkste tien procent krijgt de helft

In de eerste helft van de twintigste eeuw implodeerden de oude ‘eigendomssamenlevingen’, onder druk van de Grote Depressie, twee wereldoorlogen, het communisme, de dekolonisatie en de doorbraak van vakbonden en sociaal-democratie. Overheden voerden hoge belastingen in, en bouwden de verzorgingsstaat uit. In delen van de wereld ontstonden ‘sociaal-democratische samenlevingen’. Het is duidelijk dat dit relatief egalitaire regime de sympathie van Piketty heeft. Al ziet hij eveneens een reeks van tekortkomingen. De sociaal-democraten waren dermate gericht op nationalisatie, dat zij andere mogelijkheden om het kapitalisme te beteugelen over het hoofd zagen. In het bijzonder vergaande medezeggenschap op de werkvloer, vermogensbelasting en internationale (belasting)coördinatie. In China, Rusland en Oost-Europa ontstonden ‘communistische samenlevingen’, en het jammerlijke falen van deze experimenten is volgens Piketty een belangrijke reden voor de huidige apathie in het bestrijden van ongelijkheid. De postcommunistische transitie bracht zo weer haar eigen problemen met zich mee. Zo werd Rusland een van de meest ongelijke samenlevingen, met enorme hoeveelheden kapitaal weggestopt in belastingparadijzen, volgens eigen berekeningen van Piketty.

In de VS gaat de helft van het nationale inkomen naar de rijkste tien procent. De armste helft van de bevolking haalt niet meer dan tien procent binnen

Het brengt ons bij het ‘mondiale hyperkapitalistische ongelijkheidsregime’ van vandaag de dag. Sinds de conservatieve revolutie onder Reagan en Thatcher in de jaren tachtig is de progressieve belastingpolitiek afgebouwd. In de decennia daarna is de ongelijkheid navenant gegroeid. In de VS, zo laat Piketty zien, gaat bijna de helft van het nationale inkomen naar de rijkste tien procent van de bevolking. Dit terwijl de armste helft van de bevolking niet meer dan tien procent binnenhaalt.

Het laatste deel van het boek probeert een antwoord te geven op de vraag waarom zo weinig is gedaan sinds de jaren tachtig om deze groeiende ongelijkheid te bestrijden. De sleutel zoekt Piketty in de veranderde samenstelling van het progressieve electoraat. In de jaren vijftig, zestig en zeventig bestond het voor een groot deel uit lager opgeleide arbeiders. Tegenwoordig is de lager opgeleide stem echter steeds vaker aan de rechterzijde te vinden, omdat de culturele strijdpunten het debat zijn gaan bepalen. Het progressieve electoraat is daarentegen steeds meer een electoraat van hoger opgeleiden geworden. Piketty noemt het de ‘Brahmin left’, naar de intellectuele priesterkaste in India. Het is een gevatte benaming. De Indiase brahmanenklasse hield er veel gedragscodes op na om ‘puur’ te blijven, waaronder vegetarisch eten. En in de huidige culture wars wordt hoogopgeleid links vergelijkbaar gedrag aangewreven.

De Brahmin left

Ook de kansenongelijkheid in het onderwijs speelt een belangrijke rol in de bestendiging van het huidige ongelijkheidsregime. Vandaag de dag is er niet alleen een economische elite die de dienst uitmaakt, er is eveneens een invloedrijke progressief-liberale intellectuele/culturele elite. De huidige politiek is een conflict tussen de ‘Merchant right’ versus de ‘Brahmin left’. Piketty ziet in dit systeem met twee elites een echo van het oude middeleeuwse systeem, met als belangrijk verschil dat de zakelijke elite de rol van de krijgers-elite heeft overgenomen. Doordat de politieke strijd steeds meer een competitie is geworden tussen de twee elites, zijn grote delen van het electoraat van het politieke proces vervreemd geraakt. Piketty waarschuwt voor het nieuwe nationalisme (dat hij ‘nativisme’ noemt) en stelt dat het ontbreken van een overtuigende egalitaire politiek tot de huidige impasse heeft geleid.

Lees ook: Een spoedcursus Capital: 4 vragen over het succes van Thomas Piketty

Als er een centrale boodschap te destilleren valt uit dit boek, is het wel hoe taai bezitsverhoudingen kunnen zijn, bij gebrek aan corrigerend overheidsoptreden. Zelfs een politieke revolutie hoeft niet noodzakelijkerwijs de bestaande eigendomsstructuren aan te tasten. De Franse Revolutie, zo laat Piketty zien, hield de bestaande ongelijkheid grotendeels in stand. Hetzelfde geldt voor de afschaffing van de slavernij, of het einde van Apartheid in Zuid-Afrika. In het laatste geval is de (inkomens)ongelijkheid sindsdien zelfs nog toegenomen.

Er zijn dan ook radicale maatregelen nodig om het tij te keren. Aan het einde van het boek ontvouwt Piketty een agenda voor een democratisch socialisme van de 21ste eeuw. Belastingen spelen daarin een sleutelrol. Van de jaren dertig tot in de jaren tachtig gold er in de VS en in het VK een toptarief op inkomens van ergens rond de zeventig of tachtig procent. Piketty stelt een vergelijkbaar toptarief voor, gericht op de allerrijksten. En niet alleen op inkomen, maar ook op vermogen. Met deze nieuwe belastingen zou het mogelijk moeten zijn om klimaatverandering op een eerlijke manier aan te pakken en daarbij iedere burger een startkapitaal mee te geven bij het begin van zijn of haar werkende leven.

Rockster

Een belangrijk struikelblok voor progressieve belastingen is echter de internationale belastingconcurrentie. Piketty ziet dan ook een belangrijke rol weggelegd voor de Europese Unie in het gelijktrekken van belastingtarieven. Daarvoor is wel een democratisering van de Brusselse besluitvorming nodig. Hij stelt voor om een ‘Europese Assemblée’ in te stellen, die bestaat uit parlementsleden van de verschillende nationale parlementen, aangevuld met Europese parlementsleden. Beslissingen die nu in het geheim in de Eurogroep genomen worden, kunnen dan in het openbaar door de Assemblée bediscussieerd en besloten worden.

Dit nieuwe boek is minder baanbrekend dan zijn voorganger. Het mist ook een centrale, prikkelende stelling. Desondanks is het een indrukwekkende prestatie, die laat zien dat Piketty’s status als ‘rockster-econoom’ meer dan verdiend is.

De Oostenrijkse econoom Joseph Schumpeter (1883-1950) schreef eens dat ‘de geest van een volk, zijn sociale structuur’ is ‘terug te vinden in zijn belastinggeschiedenis, ontdaan van alle retoriek. Wie weet hoe te luisteren, kan hier – duidelijker dan waar dan ook – het donderen van de wereldgeschiedenis horen.’ Piketty toont zich een begenadigd luisteraar.