Bleekers zomer

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

In Amsterdam kan ik niet verdwalen, maar in Den Haag weet ik heg noch steg. Een gevolg van deze benauwende onwetendheid is dat Bleekers zomer, het romandebuut van Mensje van Keulen dat bijna een halve eeuw geleden verscheen, voor mij in een soort niemandsland begint. Willem Bleeker (32) woont in Den Haag, in de Gallileïstraat, maar ik heb geen idee wat voor buurt dat was, en wat dat zegt over Bleeker, zijn vrouw en hun twee kinderen. Mijn enige houvast is dat hij toen hij twaalf was samen met Gerrie Fontijn op het Oudekerksplein in Amsterdam naar de hoeren ging kijken om daarna in de Bijenkorf de krakende houten roltrappen op en af te gaan. De stad lijkt zich aan te kondigen.

En inderdaad, als Bleeker, die „al drie dagen niet had kunnen poepen” voor de vrijheid lijkt te kiezen, gaat het richting Amsterdam, waar hij geboren is, in De Pijp, de Govert Flinckstraat, waar je Heineken altijd ruiken kon. De roman begint op een woensdag in de zomer, en het loopt tegen het einde van de middag als Bleeker in Amsterdam het Centraal Station uitkomt. Op de Dam koopt hij een ijsje, „twee bolletjes aardbeien geschraapt uit het gat van een italiaans karretje.” Dan loopt hij het Rokin af en langs Kwekkeboom in de Reguliersdwarsstraat richting Plantage.

Tot het moment dat Bleeker in de nacht van zaterdag op zondag naar Den Haag terugkeert, kunnen we zijn bewegingen door de stad nauwkeurig volgen. Gerrie Fontijn, de vriend van zijn jeugd blijkt in „de antiek en de klokken” te zitten. Op het Gerard Doupleintje. De winkel/werkplaats van deze scharrelaar is het middelpunt van het boek. De drie dagen dat zijn Grote Avontuur zal duren, is het Bleekers hoofdkwartier en uitvalsbasis. Hier maakt hij kennis met Joyce en Deukie, Gerries vriendinnen, en via Gerrie ontmoet hij KC die al twaalf jaar medicijnen studeert, Dikke Annie met haar „zevenmijlskut”, Piet Kabeljauw, Arend, Loek, Johnny, Wilson, Barendje, en Coba die af en toe verloot wordt, een heel „syndicaat van scharrelaars” dat in grote auto’s rijdt, grote sigaren rookt en in de kleine misdaad zit. Gerrie neemt Bleeker mee naar de Zeedijk, naar een feest in de Reinwardtstraat, naar het Spaanse restaurant op de Hoogte Kadijk en Bleeker doet zijn best, maar na drie dagen is hij op. „Ik ben geen scharrelaar, souteneur of student, ik ben een man met een gezin” denkt hij en hij gaat terug naar huis. Einde verhaal.

Als hij nog leeft is hij nu tachtig, Willem Bleeker, maar ik vrees dat hij gedaan heeft wat hij zichzelf op weg naar Den Haag, in Scheveningen voorhoudt: „De zee inlopen, dacht ie, niet m’n armen spreiden als het water m’n borst raakt, maar gewoon doorlopen.”

Deze week verschijnt het nieuwe boek van Mensje van Keulen, de verhalenbundel Ik moet u echt iets zeggen.

Guus Luijters schrijft hier op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.