Brieven

Afstand tot de minister maakt inspecties niet beter

Foto Marco Okhuizen

Over de gebrekkige onafhankelijkheid van Rijksinspecties (Inspecties: in naam onafhankelijk, 15/2) twee opmerkingen. Inspecties moeten natuurlijk primair onafhankelijk zijn ten opzichte van hun ondertoezichtstaanden. Ons vertrouwen als burgers/consumenten/omwonenden hangt vooral dáárvan af. Bij ieder onderzoek dat iets positiefs beweert over een bedrijf of product, willen we graag weten of het betreffende bedrijf misschien betaald heeft voor dat onderzoek.

De mate waarin inspecties onder de verantwoordelijkheid van hun minister vallen, zal het publiek vertrouwen veel minder beschadigen. In onze democratische rechtsstaat is het juist een goede zaak als publieke diensten via de minister door het parlement worden gecontroleerd. Helemaal bij diensten die er zijn voor toezicht en handhaving, dus voor het uitoefenen van staatsmacht. Daarnaast lijkt het wel of welke relatie dan ook tussen een minister en een inspectie verdacht is. Daarmee wordt impliciet gesteld dat die minister niet te vertrouwen zou zijn. Nou hebben we gelukkig nog altijd een vertrouwensregel voor bewindslieden: zolang het door ons gekozen parlement het vertrouwen in een minister niet opzegt, is er in principe geen reden aan de bewindspersoon te twijfelen. Dus ook niet aan de manier waarop hij of zij, of zijn of haar ambtenaren, met de ambtenaren van de inspectie communiceren.

Ik begrijp niet goed wat de grote meerwaarde zou zijn van het ‘op afstand plaatsen’ van Rijksinspecties. Hoe draagt dat bij aan de neutraliteit, onpartijdigheid en deskundigheid van het toezicht? Hoe regelen we de democratische verantwoording door zulke zelfstandige, maar toch nog ambtelijke, autoriteiten?


adviseur bij Bureau Inspectieraad