Weer meer vrouwen werken voltijds, maar stijging blijft minimaal

Arbeidsmarkt 51 procent van de werkzame beroepsbevolking was vorig jaar voltijder, blijkt uit cijfers van het CBS. De werkweek duurt gemiddeld 31 uur.
Het kantoor van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) in Amsterdam.
Het kantoor van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) in Amsterdam. Foto Jeroen Jumelet/ANP

Het aandeel vrouwen dat voltijds werkt, is vorig jaar opnieuw licht toegenomen. In 2019 werkte 27 procent van de vrouwelijke beroepsbevolking minimaal 35 uur per week, een stijging van 2 procentpunt vergeleken met 2016. Dat blijkt uit donderdag gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het aandeel vrouwelijke voltijders neemt al enkele jaren gestaag toe, terwijl dat bij de mannen juist langzaamaan afneemt.

Iets meer dan de helft van negen miljoen werkenden in Nederland, 51 procent, had vorig jaar een werkweek van minstens 35 uur. Tien jaar geleden lag dit met 54 procent iets hoger. De gemiddelde werkweek van de werkzame beroepsbevolking bleef in deze gehele periode 31 uur. Van de voltijders die zelfstandig werken, werkt een derde meer dan veertig uur in de week. Onder werknemers ligt dit met 3 procent veel lager.

Het aandeel vrouwelijke voltijders nam sinds 2016, zoals boven genoemd, toe van 25 naar 27 procent. Onder mannen nam dit aandeel in dezelfde periode af van 74 naar 72 procent. Veel vrouwen zijn volgens het CBS werkzaam in beroepen waar over het algemeen het minst vaak voltijds wordt gewerkt. Dit betreft beroepen in sectoren als de dienstverlening, zorg en welzijn en pedagogiek.

De meeste voltijders zijn te vinden in de ICT en techniek. Managers, in alle sectoren, werken gemiddeld het vaakst voltijds. Ook beroepen in de agrarische sector, het openbaar bestuur en veiligheids- en juridische beroepen worden veelal uitgevoerd door voltijders. Onder hen zijn agrariërs (31 procent) en managers (23 procent) het vaakst meer dan veertig uur per week aan het werk.