Recensie

Recensie Beeldende kunst

Steve McQueen laat een alternatief universum zien

Steve McQueen Een zwarte vinger duwt een wit oog in een andere positie dan het gewend is. Dat gebeurt op Steve McQueens overzichtstentoonstelling in Londen. Resultaat: een rijke en universele wereld.

Het oog van Charlotte Rampling in de film Charlotte, dat zes minuten lang de werkelijkheid aftast. Daarna drukt een zwarte vinger zachtjes op het ooglid.
Het oog van Charlotte Rampling in de film Charlotte, dat zes minuten lang de werkelijkheid aftast. Daarna drukt een zwarte vinger zachtjes op het ooglid. Foto’s Thomas Dane Gallery en Marian Goodman Gallery

Once Upon a Time (2002), in de eerste zaal van Steve McQueens grote Tate Modern-overzicht, is het sleutelwerk van de tentoonstelling. Een vreemde, fascinerende installatie is het, waarin McQueen alle informatie toont van de zogenaamde Golden Record: een plaat waarop Amerikaanse wetenschappers in 1977 115 afbeeldingen en een geluidsfile bijeenbrachten die een overzicht moesten geven van het leven op aarde. Deze plaat stuurden ze mee met de onbemande ruimtesonde Voyager die in dat jaar op een ‘eeuwige’ reis door het heelal vertrok (de Voyager vliegt, as we speak, zo’n 22 miljard kilometer van ons vandaan), zodat buitenaardse wezens een beeld van het aardse leven konden krijgen.

Maar natuurlijk geeft de plaat óók een geweldig tijdsbeeld. Het menselijk lichaam staat er bijvoorbeeld op, maar getekend, want van de gefotografeerde versie zouden de groene mannetjes wel eens kunnen schrikken. Verder: een foetus, 55 talen, het geluid van een walvis, een file in Thailand, een vrouw die een ijsje eet, de Chinese Muur en ga zo maar door.

De Golden Record, kortom, was een verlichte, laat twintigste-eeuwse variant op de Encyclopedie van Diderot en d’Alembert – de hele wereld, de hele werkelijkheid en waarheid op een plaat. En nu in één kunstwerk.

In dezelfde zaal draait Static (2009), een echte McQueen-klassieker. Vergeleken met Once Upon a Time is deze film het toonbeeld van overzichtelijkheid: in Static cirkelen we zeven minuten lang, in een helikopter, om het Vrijheidsbeeld heen. Dat werkt geweldig, in al z’n drama en symboliek: je draait maar om dat beeld heen, om de vrijheid, beklopt en bekijkt haar van alle kanten, soms is het stil, soms knallen de rotorbladen als mitrailleurschoten, dichterbij kun je niet komen – en toch krijg je geen grip op haar.

Bevrijdend

Vrijheid is prachtig, lijkt McQueen te zeggen, maar het is óók een doel dat nooit werkelijkheid wordt. Daar zou je somber van kunnen worden – is vrijheid dan alleen maar een symbool? – maar ondertussen is het beeld, het kunstwerk zo prachtig, zo, nou ja bevrijdend, dat je toch met lichtere tred weer verder loopt.

In de film Static cirkel je zeven minuten lang, in een helikopter, om het Vrijheidsbeeld. Foto Thomas Dane Gallery en Marian Goodman Gallery

Zo vangen de twee eerste werken in deze Tate-tentoonstelling McQueens kunstenaarschap in een notendop. Als daarbij iets opvalt, is het hoe belangrijk de werkelijkheid voor hem is – de feiten, noem het realisme. Dat zie je aan zijn grootse project Year 3, nu in de grote hal van nevenmuseum Tate Britain, waarvoor McQueen 3.128 Londense schoolklassen liet fotograferen, zo’n 76.000 zeven- en achtjarigen in totaal, die nu als een enorme ‘Family of Children’ worden gepresenteerd. Maar het geldt ook voor bijna alle werken in Tate Modern. Of het nu Once Upon a Time is, of Static, of andere topwerken als Exodus, Western Deep, 7th Nov., Cold Breath of Ashes, het uitgangspunt is steeds neutrale registratie. Twee mannen die een potpalm door Londen sjouwen. Een groep mijnwerkers die drieëneenhalve kilometer in de aarde afdaalt om goud uit de grond te hakken. McQueens neef Marcus die vertelt hoe hij zijn eigen broer vermoordde. McQueen zelf, die on camera zijn tepel aait en betast. De knappe, levendige jongen Ashes, die op één scherm wat onwennig op een boot poseert voor de camera (en daarbij zelfs in het water plonst), voor wie op het tweede scherm een graf wordt opgetrokken.

Maar natuurlijk blijft het nooit bij een droge constatering. In elk van McQueens werken kruipt na die eerste feitelijke observatie, als een slang in het paradijs, betekenis, symboliek, cultuur naar binnen – al is de werkelijkheid die McQueen presenteert vaak zo krachtig dat je de gelaagdheid en complexiteit soms lang over het hoofd ziet. Neem, opnieuw, Once Upon a Time: terwijl je kijkt, zeventig minuten lang, raak je aanvankelijk in de ban van de vooruitgang, van het onversneden optimisme dat de ruimtevaart symboliseert. Tot je beseft dat er in de aard-versie van de NASA helemaal geen geweld te bekennen is. Geen honger, ongelijkheid of verdriet – die verleidelijke NASA-‘waarheid’ is eigenlijk een utopie.

Andere orde

Of neem Western Deep, waar de symboliek van een heel andere orde is. De film begint met een klassieke openingsscène, waarin we met een groep Zuid-Afrikaanse mijnwerkers de lift in stappen en McQueen het briljante idee krijgt om hun afdaling in real time te tonen. Daardoor zit je, in de comfortabele filmzaal, zeker zes minuten in het volkomen donker, slechts af en toe onderbroken door een ongemakkelijke lichtflits – al snel word je ongemakkelijk en geïrriteerd, tot je beseft dat die mijnwerkers véél slechter af zijn.

Still uit Illuminer, een van de films waarin Steve McQueen zelf optreedt. Foto Thomas Dane Gallery en Marian Goodman Gallery

De hele film is sowieso een helletocht, de duisternis, de herrie, het stof en het vocht, wat door McQueen wordt afgerond door de collectieve gymnastiekoefeningen te tonen die de mannen moeten doen als ze weer naar boven komen. Allemaal dragen ze een blauw handdoekje om hun middel, en springen ze strak in het gelid op en neer op een bankje op de klanken van een genadeloze zoemer – een Leni Riefenstahl-achtig tafereel is het, maar niet om de kracht van deze mannen te laten zien, maar juist de onmenselijke omstandigheden waarin het systeem ze dwingt.

Feitelijk

Hoe feitelijk, hoe kaal McQueen de werkelijkheid ook presenteert, de kracht van zijn kunstenaarschap zit ’m natuurlijk precies in de keuzes die hij maakt in wat hij wel en niet laat zien. Dat geldt ook voor deze tentoonstelling als geheel. In Tate zijn op één na (Exodus), alle werken weggelaten van voor 1999, het jaar dat hij de Turner Prize won – wat, voor de liefhebbers, betekent: geen Bear, geen Drumroll of Deadpan. Veelzeggender echter lijken andere omissies: ook Giardini draait bijvoorbeeld niet (McQueens visie op het verlaten Venetiaanse Biënnale-terrein), evenmin als Running Thunder, dat een gestorven paard in de wei toont, of Gravesend, de indringende film over de winning van coltan, een materiaal dat onmisbaar is voor mobiele telefoons.

Maar daardoor ontstaat er ineens wél een opvallend coherent en krachtig ander universum hier in Tate. En daarin, dat is misschien wel de crux, is nauwelijks een wit mens te bekennen. Zo goed als iedereen is zwart, van McQueen zelf (hij treedt op in Illuminer en Cold Breath) tot de hoofdpersonen in Western Deep en Ashes en popmuzikant Tricky, die door McQueen wordt gefilmd terwijl hij in een studio het nummer ‘Girls’ inzingt en daarbij in een adembenemende trance raakt.

Daarop is echter een belangrijke uitzondering: de Britse actrice Charlotte Rampling. In de film Charlotte figureert zij met precies één oog, dat zes minuten lang kijkt, zoekt, de werkelijkheid aftast. Dan verschijnt er ineens een stevige zwarte vinger in beeld die zachtjes op haar ooglid drukt – dat vervolgens enigszins beteuterd in die stand blijft hangen. En hoewel McQueen zelf, de realist, zulke interpretaties liever vermijdt, kon ik me niet aan de indruk onttrekken dat dit beeld de perfecte samenvatting is voor het idee achter de tentoonstelling: een wit oog dat door een zwarte vinger in een andere positie wordt gemanoeuvreerd dan het gewend is. Ongemakkelijk. Confronterend. En toch, nou ja, verleidelijk.

Want dat is precies wat deze tentoonstelling doet. Juist doordat McQueen zich als vanzelfsprekend richt op zwarte verhalen, door zwarten als norm te beschouwen zonder daar verder een punt van te maken, ontstaat in Tate een bijzonder alternatief universum. Dat universum is zo rijk, zo confronterend en universeel dat het het zwart-witdilemma ruimschoots overstijgt. Terwijl we allemaal óók weten dat dat in de echte wereld anders is.

Maar het werkt: zoals McQueen tegen de schoolkinderen in Tate Britain tijdens rondleidingen zegt dat ze bijzonder zijn omdat ze in een museum hangen, presenteert zijn Tate-expositie een schijnbaar vanzelfsprekend donker alternatief voor het leven van alledag. Je zou het als een utopie kunnen beschouwen, net zoals in Once Upon a Time, of zoals in Static, maar dan is het wel een utopie waarin naast schoonheid en ontroering ook pijn en onrecht een plaats vinden. Ik vind dat mooi.