Vier toneelschrijvers in gesprek, van links naar rechts: Lot Vekemans, Jibbe Willems, Rik van den Bos en Esther Duysker.

Foto Merlijn Doomernik

Interview

De toneelschrijver is veronachtzaamd

Toneelschrijvers (1) Nederlandse toneelschrijvers zijn nauwelijks bekend bij het publiek. Hoe kan dat? Lot Vekemans, Jibbe Willems, Rik van den Bos en Esther Duysker spreken over hun relaties met gezelschappen, onderhandelen over geld en buitenlandse royalty’s. „Wat een luxe man!”

Hoe kom je in Nederland als toneelschrijver aan werk? „Ik word gebeld”, antwoordt Lot Vekemans. Dat is niet zo verwonderlijk: Vekemans (55 jaar) is de meest gespeelde Nederlandse toneelauteur op de internationale podia. Haar tekst Gif uit 2009 is een ongekende hit. Over de hele wereld is het stuk te zien geweest, in ruim tachtig verschillende uitvoeringen, waarvan zo’n zestig in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland.

Dat Vekemans’ stukken internationaal en in vele varianten worden gespeeld, is onvoorstelbaar voor Nederlandse toneelschrijvers, die eraan gewend zijn dat hun tekst eenmalig door één groep ten tonele wordt gebracht. Oók als ze horen bij de meest spraakmakende toneelauteurs in Nederland, zoals de vier die gevraagd zijn om te komen praten over hun werk en de manier waarop er naar hen wordt gekeken. Waarom zijn ze niet zo bekend bij het grote publiek als ze verdienen te zijn? En wat moeten ze doen om hun toneelstukken gespeeld te krijgen? In Nederland staan toneelschrijvers in de schaduw van de regisseurs, die ook nog eens vaak zelf teksten schrijven: wat betekent dat voor hun werkwijze?

Rond een tafel in Theater De Brakke Grond in Amsterdam zijn vier toneelauteurs aangeschoven om op deze vragen in te gaan: Esther Duysker, 35 jaar, die recent Poker schreef voor Raymi Sambo en Othello bewerkte voor Het Nationale Theater; Rik van den Bos, 37 jaar, die in 2017 werd genomineerd voor de Toneelschrijfprijs voor zijn Find me a boring stone bij Theater Rotterdam en vorig jaar de auteur was van Brave New World 2.0. bij het Noord Nederlands Toneel; en Jibbe Willems, 42 jaar, huisschrijver van Toneelgroep Maastricht en vorig winnaar van de Gouden Krekel voor zijn libretto voor Jabber van Theatergroep Kwatta.

Voor toneelschrijvers, zeggen ze, is er tegenwoordig wel werk, maar in hoofdzaak zijn dat kleinere projecten. Waar het aan schort: doorstroming naar de grote zaal en zichtbaarheid bij het grote publiek. Zelf hebben ze intussen een zekere bekendheid vergaard en beschikken ze over een waaier aan opdrachtgevers.

Maar zijn eerste teksten schreef Jibbe Willems, volgens zichzelf mislukt als acteur, twintig jaar geleden „in een kelder in Nijmegen met een headset op”. Toen hij zijn werk opstuurde aan zo’n 75 gezelschappen en regisseurs was er maar één, Daniëlle Wagenaar, die hem uitnodigde – voor een workshop. Dat leidde tot een opdracht, en via het toenmalige Frascati Gasthuis en een stimuleringsbeurs van Platform Onafhankelijke Theaterauteurs, groeide hij verder. Nu schrijft hij gemiddeld zeven stukken per jaar.

Belangrijk is: aangeven hoe je werkt en wat je accepteert

Lot Vekemans

Willems heeft, zegt hij, zijn theaterpraktijk kunnen opbouwen via beurzen en werkplaatsen. „Ik heb nog de traptreden kunnen beklimmen. Die basis van de piramide is nu weggevaagd.”

Veel productiehuizen, die deze beurzen en werkplaatsen aanboden, werden door de bezuinigingen van VVD en CDA op cultuur in 2011 gesloten. Rik van den Bos: „Mijn eerste werk kwam voort uit samenwerkingen met acteurs die iets voor een productiehuis mochten maken. Dan was ik onderdeel van het plan. Dankzij de productiehuizen heb ik veel toneelteksten kunnen schrijven.”

De Nederlandse toneelschrijver, zeggen ze alle vier, is een samenwerker. Veel toneelteksten ontstaan in opdracht van een gezelschap of regisseur, die woorden zoeken bij de verhalen en thema’s die zij willen vertellen – en waarbij zij dus het onderwerp bepalen. Het Nederlands theater kent een regisseurscultuur, die een gevarieerde en eigenzinnige theatersector heeft voortgebracht.

Maar daarbij is de toneelschrijfcultuur achtergebleven en zijn de schrijvers veronachtzaamd. Toneelschrijvers voeren opdrachten doorgaans naar eigen inzicht uit, tegelijk verschillen de vier auteurs aan tafel van mening over de vraag in hoeverre ze autonoom opereren.

Rik van den Bos vindt dat je als toneelschrijver beide sporen moet ontwikkelen: kunnen werken in opdracht en in staat zijn je eigen ideeën te formuleren. „In beide gevallen moet je je eigen stem vinden en behouden. Het ene is niet per se meer waard dan het andere.” Inmiddels heeft hij met meerdere gezelschappen vaste relaties opgebouwd. „Die voelen als een doorlopend gesprek, waarbij ik aan een oeuvre bouw en de thema’s kan behandelen die ik zelf ook belangrijk vind.”

Esther Duysker heeft tot nu toe bijna alleen in opdracht gewerkt. „De vragen om teksten komen steeds op me af, vaak zijn het stukken met thema’s die ik doorleef en dus voel ik urgentie. Maar ik heb sinds mijn afstuderen nog geen stuk geschreven waarbij de oorsprong bij mijzelf lag. Dat begint nu wel aan me te knagen.”

Jibbe Willems werkt vooral samen. Hij is onderdeel van het artistieke team van Toneelgroep Maastricht. „Dus ik doe veel in samenspraak met het team, ook brainstormen over plannen voor de komende jaren.” Daarnaast beoefent hij allerlei genres bij verschillende gezelschappen, van vertalingen tot bewerkingen van films en boeken, en van origineel werk tot opera en muziektheater. „De mate van autonomie is de ene keer kleiner dan de andere keer, maar bij een opdracht moet ik het idee hebben dat ik hem zelf had kunnen formuleren. Anders neem ik hem niet aan.”

Willems wijst geregeld verzoeken af, zegt hij. „Vooral bij sommige grote projecten, waarbij er veel ogen meekijken en er te grote commerciële belangen spelen. Als ik in het eerste gesprek al bezwete handen krijg van de faalangst, dan doe ik het niet. Je moet er blij van worden, niet bang.” Hij kan het zich inmiddels permitteren. „Als je net begint, denk je nog: ik moet de huur betalen.”

Je moet blij worden van een project, niet bang

Jibbe Willems

Lot Vekemans vindt: „Belangrijk is: aangeven hoe je werkt en wat je accepteert. De ene schrijver is de andere niet. Ik vind het vervelend als mensen iets in mijn teksten aanpassen. Tom Lanoye zegt: ik schrijf een iets te ruim bemeten pak, dus je moet het iets innemen. Ik lever een strak pak af, dat behoorlijk goed past.” Willems: „Bij de ene groep lever ik anders aan dan bij de ander. Daar maak je afspraken over. Soms geef ik meerdere opties.” Vekemans: „Daar gruwel ik van. Ik zou er niet aan beginnen.”

Waar trekken zij de grens wat betreft de invloed van anderen op hun werk? Rik van den Bos botste vorig jaar met Guy Weizman van het Noord Nederlands Toneel over Brave New World 2.0. Weizman halveerde de tekst. Van den Bos: „De strijd was hard, maar in vriendschap en met een luisterend oor. En het resultaat was voor ons allebei geslaagd. Omdat we in elkaars ideeën geloven, gaan we de samenwerking uitbreiden.” Tot de nieuwe plannen behoort in ieder geval een tekst „waar hij deze keer helemaal vanaf blijft”.

Esther Duysker had recent, vertelt ze, bij de voorstelling Decemberdagen de ervaring dat haar tekst werd herschreven. „Zodanig dat ik mijn eigen signatuur niet meer herkende.” Vekemans: „Dat is toch dramatisch?” Duysker: „Het compromis was dat de tekst niet op mijn naam kwam, maar dat er stond dat hij met mijn medewerking was ontstaan.” Wat ze ervan heeft geleerd, is dat iemand die haar vraagt goed moet weten wat voor schrijver zij is. „Anders heb ik het gevoel dat ik een kleurplaat aan het inkleuren ben.”

Lees ook: Een nieuwe toneelgroep stelt nu de schrijver centraal

In landen als Duitsland en Engeland staat de toneelauteur meer op de voorgrond. De schrijver schrijft zijn toneelstuk, stuurt het naar zijn uitgever, en die polst welke groep interesse heeft. Dat is een versimpelde weergave van hoe het gaat, zegt Lot Vekemans, al lijkt het op haar ervaringen. „Twee jaar geleden kreeg ik voor het eerst een opdracht uit Duitsland. Ik wilde overleggen met het gezelschap, zoals ik in Nederland gewend ben, maar dat wilde men niet. Schrijf jij dat stuk maar gewoon, werd er gezegd.” De eerste opvoering is gegarandeerd, maar de tekst wordt ook in het land uitgezet. „Dat stuk, Momentum, is nu al door zeven gezelschappen uitgevoerd.”

Het klinkt ideaal. Is het dat ook? Vekemans: „Het fijne is dat je je stuk in veel versies kunt zien en meer over je eigen tekst leert. In Nederland kun je niet thuis een toneelstuk schrijven en dan zeggen: eens kijken wie dat wil spelen. Een gezelschap kan je tekst wel goed vinden, maar vaak past het niet bij de lijn die ze voor zichzelf hebben uitgezet. Dat heb ik zó vaak meegemaakt.”

Toch is ze wel degelijk gesteld op de Nederlandse manier van werken. „Het verrijkt me als schrijver om gevoed te worden door de ideeën van andere mensen.”

Kun je leven van toneelschrijven? Vekemans wel, dankzij haar internationale carrière. „Daardoor kan ik de tijd nemen om een tekst te laten rijpen. Er zit bij mij twee of drie jaar tussen het eerste gesprek en de voltooiing.” Duysker, verbaasd: „Wat een luxe man!”

Door de buitenlandse royalty’s voor heropvoeringen komt er geld binnen, zonder dat ze elke keer een nieuw stuk hoeft te leveren – zoals Nederlandse toneelschrijvers moeten doen. Vekemans: „De bedragen verschillen sterk per land en theater. In Duitsland varieert mijn gage van 30 tot 600 euro per voorstelling op een avond. Daarvan krijgt mijn agent een deel.”

Behalve Gif wordt ook haar stuk Judas (momenteel ook in Nederland te zien) veel gespeeld: al door vijftig gezelschappen in Duitsland. „Nu gaat Gif weer naar São Paulo. Het heeft een logica: hoe meer het wordt gespeeld, hoe meer het wordt gezien en hoe meer het weer gespeeld wordt.” Duysker hoort het verlekkerd aan: „Dit is toch geweldig.” Vekemans: „Het is ook geweldig. Het is een zegen.”

Ik onderhandelde wel, maar ik was het schijtebeu, nu is er een agent

Esther Duysker

In Nederland zijn er richtprijzen voor de betaling van een tekst, opgesteld door de Vereniging van Letterkundigen. Vekemans: „Dat is het absolute minimum-minimum.” Willems weerspreekt haar: „Het zijn redelijke bedragen.” Hij zoekt het overzicht van bedragen op zijn telefoon. Voor een tekst van meer dan een uur is het tarief tussen de 9.000 en 16.000 euro, leest hij voor, en voor de grote zaal tussen de 10.000 en 20.000 euro. Voor korte teksten neemt de vergoeding stapsgewijs af. Willems: „Er moet wel een update komen, want deze cijfers komen uit 2012.”

Vekemans vertelt hoe ze haar gage opvoerde: „In het begin was ik als schrijver altijd de sluitpost van de begroting, dus ik dacht: ik ga het anders doen. Als schrijver mag je je op zijn minst op het niveau van de dramaturg plaatsen, vond ik. Dus toen berekende ik drie maanden salaris voor een dramaturg, plus vakantiegeld en kosten. Vervolgens zei ik tegen de regisseur: ‘Is dat redelijk: niveau dramaturg, drie maanden werk?’ Jazeker, was het antwoord. Maar mijn bedrag lag 3.000 boven de norm.”

Valt er te onderhandelen? Willems: „Hoe ik onderhandel ligt aan het gezelschap: is het groot of klein, structureel gesubsidieerd of niet. Ik pas mij aan.” Vekemans: „Het gaat er ook om wat de rest verdient. Wat zijn de verhoudingen?” Duysker: „Vraag jij of je de begroting mag zien?” Vekemans: „Ja, dat vraag ik wel.”

Het Lira Fonds (het fonds van de auteursrechtenorganisatie voor schrijvers en vertalers, dat investeert in de verbetering van hun positie) kan tot tweederde van een schrijfopdracht subsidiëren, met een maximum van 6.400 euro. Jibbe Willems: „Ik zit nu in de adviescommissie van het fonds en zie alle begrotingen. Dan merk je soms dat een schrijver onderbetaald wordt.” Rik van den Bos: „Kun je daar wat aan doen?” Willems: „We hebben wel eens een begroting teruggestuurd en gezegd dat het honorarium van de auteur omhoog moest, anders zouden we geen subsidie verstrekken.”

Esther Duysker vertelt waarom ze een agent in de arm heeft genomen: „Ik onderhandelde wel, maar ik was het schijtebeu, dus nu is er een agent die dat doet. Ik wil niet over zaken praten met mensen met wie ik op goede voet wil blijven staan.” Is haar positie zwakker omdat ze jonger is en relatief korter in het vak zit? Duysker: „Zo voelt het wel. Maar dat kan aan mij liggen. Het opvragen van de begroting is wel een goed idee.” En de genoemde bedragen? Duysker: „De laatste twee jaar word ik niet meer ongelukkig van wat ik word betaald. Zeg ik dat netjes?” De anderen lachen instemmend.

De podiumkunstenaar heeft geen beroep met een hoge status, stellen ze eensgezind vast, zeker niet sinds de aanvallen op de sector in 2011. Voor de toneelschrijver is dat niet anders. Maar aandacht in de media voor hun vak wordt steeds gebruikelijker. Esther Duysker: „Ik heb over bijna iedere voorstelling die ik de afgelopen vier jaar heb geschreven wel iets in de krant of op de radio mogen zeggen.” Lot Vekemans: „Ik ben in mijn carrière vijf keer over mijn toneelwerk geïnterviewd, wat ik best weinig vind. Ik ben meer gevraagd om mijn boek. Terwijl ik één roman heb geschreven en 25 toneelstukken.”

Hoe zien ze de toekomst? De vier zijn optimistisch, al blijven er zorgen over de kansen voor jonge en nieuwe auteurs. Vekemans: „Broedplekken zijn broodnodig. Dat zou onze beroepsgroep goed doen. Meer dan interviews in de krant.”

Je succes is ook afhankelijk van je vermogen om je werk te vertegenwoordigen

Rik van den Bos

Jibbe Willems: „De jonge toneelschrijver moet met theatermakers gaan praten en stukken schrijven. Je moet je invechten.” Duysker: „Maar niet iedere schrijver is een prater.” Willems: „Nee, maar in dit stelsel kun je niet zonder de communicatieve vaardigheid om te overleggen met theatermakers.” Rik van den Bos: „In mijn jaargang op school zaten schrijvers die bij momenten beter konden schrijven dan ik. Je succes is ook afhankelijk van je vermogen om je werk te vertegenwoordigen.” Esther Duysker: „Dat is niet voor iedere schrijver even makkelijk in dit systeem. Ik ken interessante zwarte en gekleurde theatermakers die geen succes boeken vanwege barrières in de communicatie en heersende theatercultuur. Het is moeilijk om je werk te vertegenwoordigen als het door een ander niet begrepen lijkt te worden.”

Willems: „Wat ik jonge toneelschrijvers wil meegeven: ga het gesprek aan. Misschien dat je 75 keer niks terughoort, maar nummer 76 zegt: kom eens langs. Laat weten dat je bestaat. Iedereen zit op jonge schrijvers te wachten!” Lot Vekemans: „Dat is mooi gezegd en het zou een fantastisch einde van het artikel zijn. Maar ik geloof niet dat het waar is. Je hoeft geen gelikte prater te zijn. Je moet overtuigd zijn dat je iets te vertellen hebt. Dan komt het wel goed.”

Nu in het theater van Esther Duysker: Othello door Het Nationale Theater; van Rik van den Bos: Alles in de hens door Marcel Hensema; van Jibbe Willems: The Great Gatsby door Toneelgroep Maastricht; van Lot Vekemans: Judas door Theatergroep Suburbia.