Opinie

Wees maar blij dat ik de wereld niet ga redden

Maxim Februari

Ik houd niet van de stad. Af en toe moet ik er ’s morgens zijn en diezelfde avond weer; dan zou het voor de hand liggen om er ’s middags te blijven. Maar ik reis liever anderhalf uur terug naar huis, werk aan mijn eigen tafel, eet mijn eigen omelet en reis opnieuw naar de stad. Vorige week vroeg ik me af of dit een teken is van krankzinnigheid. Iedere vorm van afwijkend gedrag is tegenwoordig een stoornis. Doe er wat aan, zei ik tegen mezelf.

Een van de nadelen van de stad is de bijna tastbare wolk van behoeftigheid die boven de straten hangt. De gefrustreerde deugd van de mensen, hun goedheid die door anderen nooit voldoende wordt begrepen, de droom van een gemeenschap die vergeefs wacht op vervulling. Al dat smachten! Je zou willen dat er een godin komt, een Madonna della Misericordia, die de mensen collectief onder haar blauwe mantel neemt en beschermt.

Ach heden, wat is er veel goedheid in de wereld. En wat komt daar een teleurstelling uit voort. Als we dan toch alle gedrag als een stoornis beschouwen, is het verhelderend te kijken naar de krankzinnigheid die voortkomt uit gefnuikte aardigheid van mensen. Kijk eens naar de razernij die ontstaat als ze hun recht zoeken en het niet vinden. Van alle deugden waaronder mensen gebukt gaan weegt de deugd van de rechtvaardigheid misschien nog wel het zwaarst op hun schouders.

Af en toe raad ik zo’n gekrenkte rechtszoeker aan Michael Kohlhaas te lezen, een novelle uit 1810 van Heinrich von Kleist. Over de zoon van een onderwijzer uit het midden van de zestiende eeuw, braaf en verschrikkelijk tegelijk. „Einer der rechtschaffensten zugleich und entsetzlichsten Menschen seiner Zeit.” Als Michael Kohlhaas onrecht wordt aangedaan en hem zijn paarden worden afgepakt, explodeert de situatie met een onvoorstelbare hevigheid en leeft de brave Michael Kohlhaas zich uit in een orgie van wraak en geweld. Hij draait door. Er vallen doden. Het hele koninkrijk raakt betrokken.

Het zou een goede naam voor een stoornis zijn: het michael-kohlhaassyndroom. Omdat je niet altijd je recht kunt halen, en omdat je niet altijd gelijk kunt krijgen als je het wel hebt, zal er altijd een moment zijn waarop je je claim moet inslikken. Je moet door met je leven. „Schenk me de kalmte om te aanvaarden wat ik niet kan veranderen, de moed om te veranderen wat ik kan veranderen en de wijsheid om het verschil hiertussen te zien”, leren ze je bij de AA. Maar er zijn veel Michael Kohlhaasen in de wereld die niet over zo veel moed, kalmte en wijsheid beschikken. Die willen rechtvaardigheid. Die eisen rechtvaardigheid. Dat siert ze en tegelijk wordt het hun ondergang.

Wat mij zelf dwarszit, vooral in de stad, is een stoornis die rechtstreeks met dit michael-kohlhaas-syndroom verband houdt. Het heilandsyndroom. De almachtsfantasie. De gedachte dat al die weeklachten van mensen aan jou zijn gericht en dat je ze moet aanhoren en beantwoorden.

In de roman Dood van een imker van Lars Gustafsson zweeft God door een hoek van het heelal; het is een van de passages uit de wereldliteratuur waaraan ik het vaakst denk. Plotseling ontwaakt God uit haar slaap en ze hoort in de verte, tussen de frequenties die worden uitgezonden door gravitatiecollapsen van ineenstortende supernova’s, de roep van de mens. Het menselijke verlangen naar recht en genade, het gebed van de onmachtigen om genezing. Ze begint aan de vraag te voldoen en doet gul wat iedereen wil.

Chaos is het gevolg. God laat alle morele terughoudendheid varen en blijkt niet beperkt door de leuze van de AA: ze kan alles veranderen wat ze wil veranderen en heeft dus geen kalmte of wijsheid nodig. Moed volstaat. Ze verhoort gebeden om vrede en subiet gaan banken failliet en landen teloor. Met „indolente, ja, nihilistische liefde” staat ze alles toe.

Hier dacht ik dus nu weer aan, nu ik in de afgelopen week 5.317 verzoeken kreeg om het verleden te repareren, 3.862 vragen om de toekomst te voorspellen, zeventien opdrachten om iemand naar de Hoge Raad te begeleiden, zesenvijftig bevelen om het stelsel te wijzigen, en tien uitnodigingen op straat in de grote stad om een heel leven te genezen. En dat allemaal van brave, oppassende mensen die duidelijk bleken te lijden aan een deugd die ze niet konden temmen. Overspannen van ijver. Misselijk van matigheid. Krankzinnig van goedheid.

En ik, bevroren in mijn eigen onmacht, zwijgend achter mijn werktafel thuis, niet in staat een antwoord te formuleren. Zo veel verzoeken om de wereld te redden! Wees maar blij dat ik er niet op inga, mompelde ik tegen de wereld achter het scherm van mijn tekstverwerker. Wees maar heel, heel blij dat ik er niet op inga.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.