‘Strik eromheen en klaar’, mailt OM-ambtenaar

OM-onderzoek bombardement Hawija Het ‘Hawija’-onderzoek kwam zo traag op gang dat het volgens Europese jurisprudentie niet meer ‘zorgvuldig’ kon zijn. Pas na vijftien maanden werden de eerste getuigen gehoord.

Hawija na het bombardement van juni 2015. De beelden van deze door IS gemaakte film zijn verspreid door Arabische nieuwszender Al Jazeera.
Hawija na het bombardement van juni 2015. De beelden van deze door IS gemaakte film zijn verspreid door Arabische nieuwszender Al Jazeera.

Als Nederland in oktober 2014 ten strijde trekt tegen het kalifaat van het IS, moet een ding duidelijk zijn, schrijven ambtenaren van het ministerie van Defensie in een intern stuk. Meldingen over eventuele burgerslachtoffers zullen zeer serieus worden genomen. „In de woordvoering wordt altijd gemeld dat er altijd zeer zorgvuldig onderzoek naar dergelijke meldingen wordt uitgevoerd”, aldus het document met de titel Proces meldingen inzetgebied.

NRC en NOS namen de proef op de som. Ze vroegen bij het Openbaar Ministerie alle stukken op over de aanval van Nederlandse F-16’s op een bommenfabriek van IS in Hawija, juni 2015. Daarbij vielen ten minste 70 doden onder de burgerbevolking, vooral vluchtelingen, vrouwen en kinderen. De vraag is of de meldingen daarover van Defensie en het daaropvolgend OM-onderzoek in 2016 en 2017 wel zo ‘zorgvuldig’ verliepen.

Wie de honderden mails, bijlagen en andere – veelal zwartgelakte – stukken doorneemt die het OM vrijgaf na een WOB-verzoek van beide media, heeft reden om daaraan te twijfelen. Het OM-onderzoek kwam traag op gang. De afhankelijkheid van Defensie bij het ‘onafhankelijk’ onderzoek was groot: militairen (van de Koninklijke Marechaussee) hoorden voornamelijk andere militairen (bijvoorbeeld de F-16-vlieger die de bom gooide). De belangrijkste bondgenoot, de VS, die over belangrijk inlichtingenmateriaal beschikken, werkte nauwelijks mee. Cruciale informatie ontbrak, zoals beelden van Amerikaanse drones of informatie van Iraakse spionnen in Hawija. Een van hen zei september vorig jaar tegen de NOS dat hij de coalitie zeer kort tevoren had gewaarschuwd voor de aanwezigheid van vluchtelingen rond het doelwit. en een enorme hoeveelheid explosieven in de opslagplaats.

Toch schreven de ministers Stef Blok (VVD, Buitenlandse Zaken) en Ank Bijleveld (CDA, Defensie) op 13 april 2018, dat men vooraf niet kon weten dat er veel meer explosieven lagen opgeslagen dan verwacht. Ook waren de geldende procedures correct toegepast.

Woordvoering by NRC on Scribd

Onderzoek pas later gestart

Het eerste wat opvalt, is dat de detachementscommandant in Jordanië het na raadpleging van de F-16-filmpjes van de aanval helemaal niet heeft over burgerslachtoffers. In zijn rapport over de aanval voor Defensie en de hulpofficier van justitie in Jordanië, rept hij slechts van nevenschade aan gebouwen. Dat schrijft hij op 3 juni, de dag nadat enkele woonblokken werden weggevaagd. Twee dagen later, bij een persconferentie van het Pentagon, is commandant John Hesterman openhartiger. De generaal die vanuit Qatar de luchtoperaties tegen IS leidt, maakt op 5 juni melding van „enorme secundaire explosies”. Hesterman zegt ook: „Hoewel we geen bewijs hebben gezien van burgerslachtoffers, gaan we daar wel zorgvuldig naar kijken, zoals we in zulke gevallen altijd doen.”

Pas acht maanden later, eind februari 2016, als de Amerikanen en Defensie hun eigen onderzoeken naar de aanval hebben afgerond, kan het OM zelf aan de slag. Naast ‘Hawija’ bekijkt het OM drie andere gevallen met mogelijke burgerslachtoffers. Het onderzoek naar een van die gevallen (vier burgerdoden in Mosul in september 2015) begint overigens ook niet direct na een melding van Defensie, zoals het hoort. Het OM gaat pas aan de slag nadat een familielid van een van de slachtoffers in Mosul aan de bel heeft getrokken in de media. Dat gebeurt in een opiniestuk in The New York Times(oktober 2015).

Kunnen jullie me bijpraten over onderzoek naar twee bombardementen waarbij burgerslachtoffers gevallen zijn?

Voorlichter van het OM

Maart 2016 beginnen officieren van justitie van de militaire afdeling in Arnhem hun onderzoek. Ze kijken naar de gevolgen van „forse secundaire explosies,(…) waarbij flinke CD [Collateral Damage] is ontstaan”, zo schrijft een OM-ambtenaar aan een collega op 21 maart 2016. Daarbij gaan zij er al snel van uit dat er burgerdoden zijn gevallen in Hawija. Parlement en publiek weten niet beter dan dat er onderzoek loopt naar mogelijke burgerslachtoffers. Een persvoorlichter van het OM weet op 6 november 2016 echter al meer. Hij mailt naar een collega: „Kunnen jullie me bijpraten over het onderzoek naar 2 bombardementen in Irak waarbij burgerslachtoffers gevallen zijn?”

Enkele maanden eerder, vanaf september 2016, zijn de eerste getuigen gehoord. Dat is vijftien maanden na de aanval. Het zo laat horen van getuigen geldt in Europese jurisprudentie als onzorgvuldig. Het Europese Hof van de Rechten van de Mens tikte Nederland in 2014 op de vingers omdat het zes uur had gewacht met het verhoren van een getuige van een schietincident in Irak in 2004 (zaak-Jaloud). „Daarmee waren geen passende stappen gezet om te voorkomen dat de militair kon samenspannen met andere getuigen”, motiveerde het Hof zijn kritiek toen. In het geval van Hawija ging het om vijftien maanden in plaats van zes uur.

ICT-kwestie by NRC on Scribd

Dan ligt het onderzoek even stil

Onder OM-ambtenaren blijven er lang vragen over de opzet van het onderzoek. Het doel is „te strikt geformuleerd”, schrijft een OM-ambtenaar op 22 mei 2017. Of, en zo ja wat er met die opmerking gebeurt, is onduidelijk. Ook zijn er technische hindernissen. De Koninklijke Marechaussee (Kmar) kampt met problemen bij het opslaan van staatsgeheime informatie. „Het team is qua ict-middelen onvoldoende toegerust voor het verwerken van hoog-gerubriceerde informatie”, mailt een Defensie-medewerker aan het OM, de datum is weggelakt. De informatieverwerking „zal voorlopig stil liggen”. Er is „enkele weken” vertraging. Nog meer vertraging veroorzaakt een andere klus voor de digitale recherche van de Kmar. In Mali moet een ongeval met een mortier worden onderzocht.

Gelukkig is er op technisch vlak ook goed nieuws. De KMar beschikt over een goed beveiligde koffer om staatsgeheim onderzoeksmateriaal mee te vervoeren. Een militair, afdeling digitale recherche van de Kmar, schrijft op 23 mei 2017 gevoelig materiaal te zullen komen ophalen „met een daarvoor bestemd steel [stalen, red.] koffer.”

Het onderzoek zelf is een feitenonderzoek, benadrukken OM-ambtenaren in diverse mails. Geen onderzoek naar mogelijk strafbare feiten, Al zullen aanwijzingen daarvoor wel onderzocht worden. „Vooralsnog is er geen enkele reden om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de aanval”, schrijft een ambtenaar van het parket Oost-Nederland. Dat maakt dat de onderzoekers bij hun ondervragingen van bijvoorbeeld de F-16-vlieger die de bom gooide of de hoge militair in Qatar die er toestemming voor gaf, niet te kritisch moeten worden. „Probeer te voorkomen dat het verhoor als een verdachteverhoor wordt ervaren. Uiteraard mogen er wel kritische vragen worden gesteld (…)”.

Beperkte medewerking VS

Omdat het niet om een strafrechtelijk onderzoek gaat, is de medewerking van de VS beperkt. Als reden voor hun weigerachtigheid geven de Amerikanen dat het bij de OM-onderzoeken naar de burgerdoden louter om feitenonderzoeken gaat. Welnu, de feiten hebben de VS zelf al onderzocht; lees hun rapport van februari 2016. Een Amerikaanse militair schrijft aan het OM dat „het relevante verdrag voor wederzijdse juridische bijstand vereist dat er sprake moet zijn van een strafrechtelijk onderzoek”.

Bestaande verdragen bieden geen ruimte om mee te werken, schrijft een andere Amerikaanse militair op 27 februari 2017 aan het OM: „Ons gezag op dit gebied is beperkt en onze mogelijkheden om met bewijs te helpen is beperkt tot burgerlijke en commerciële kwesties binnen het bereik van de The Hague Evidence Convention”.

Het Amerikaanse hoofdkwartier in Qatar (CAOC) waar alle bombardementen op IS-doelen worden gecoördineerd, werkt al evenmin mee. Een Defensie-ambtenaar schrijft het OM en Parket-Generaal op 22 november 2017 dat „info lastig [is] te achterhalen omdat deze vanuit het CAOC in Qatar moet komen en men daar niet happig is op infosharing.” Het OM schrijft in een toelichting aan NRC en NOS: „Het Openbaar Ministerie heeft geen toegang tot alle onderliggende informatie die door het CAOC in het targetingproces is betrokken en de wijze waarop deze informatie is gevalideerd.”

Wel rept het OM van „diverse inlichtingenprodukten die voorafgaand aan de aanval aan de Nederlandse militairen zijn verstrekt”. Daarbij gaat het volgens bronnen om informatie over het doel die Nederland vooraf heeft gekregen van het Amerikaanse opperbevel over de aard van het doelwit en de uitkomsten van de berekening van de kans op burgerslachtoffers. Die kans is op nul gesteld, op voorwaarde van passende voorzorgsmaatregelen (’s nachts aanvallen, kleine precisiebom gebruiken, aanval vanaf een bepaalde kant zodat de schokgolven geen woongebied bereiken); anders mag het bombardement niet plaatsvinden.

Eind mei 2017 neemt het OM zijn verlies in een van de vier onderzoeken waarvoor de hulp van de VS nodig is. Na een nieuwe Amerikaanse afwijzing om getuigen te horen, mailt een OM-ambtenaar: „Geen verrassing. We kunnen feitenonderzoek afsluiten.” Een collega mailt dezelfde dag terug: „Eens, strik eromheen en klaar.”

Oorlogsregels by NRC on Scribd

Geen persbericht

Eind 2017, zo’n tweeëneenhalf jaar na de aanval op het IS-doelwit, is het Hawija- onderzoek klaar. Toch blijft het tot april 2018 op de plank liggen. Intern beraad bij het OM blijkt nodig. Voordat het feitenonderzoek naar Defensie gaat, wil de leiding van het OM (het Parket-Generaal) het nodige weten. Ook is overleg nodig tussen het OM en Defensie hoe de bevindingen over de gevoelige kwesties naar buiten moeten worden gebracht. Doet het OM dat zelf? Of Defensie?

De laatste, zo wordt besloten. Het OM brengt geen persbericht uit, en organiseert geen persconferentie. „Een persbericht zou een breuk zijn met de terughoudendheid die we tot nu toe betrachten”, schrijft een OM-ambtenaar op 13 december 2017.

Lees ook:Openbaar ministerie kroop dicht tegen krijgsmacht aan

In de slotfase van het onderzoek is er ook nog een gesprek van het OM met Defensie naar aanleiding van de uitkomsten. Daarin wordt een aantal „juridische vraagstukken besproken … met het oog op toekomstige operationele inzetten” (datum weggelakt). Een opmerkelijke mededeling. Had het OM-onderzoek gevolgen voor de Nederlandse aanpak van IS hierna? Defensie wil daar niets over kwijt. Bronnen vertellen echter dat Nederland na het debacle van Hawija, geen bommenfabrieken van IS in de buurt van woonwijken meer heeft gebombardeerd. Dat zou in elk geval conform een van de – tot nu toe geheim gebleven – richtlijnen voor de strijd tegen IS zijn. „Aanvallen op doelen in de omgeving van dichtbevolkte gebieden, moeten zoveel mogelijk worden voorkomen”, luidt een van de Nederlandse ‘Targeting Directives’ , spelregels ontleend aan het internationaal oorlogsrecht waaraan Nederland zich wil houden. De aanval op Hawija week daar dus van af. De woonblokken in de Noord-Iraakse stad die werden vernietigd, lagen op een paar honderd meter van de bommenfabriek.

Anoniem

Pas op 13 april 2018 worden de bevindingen over Hawija en andere gevallen van mogelijke burgerdoden met de buitenwereld gedeeld. Ze staan achterin een brief van dertien kantjes van de ministers Stef Blok (VVD, Buitenlandse Zaken) en Bijleveld aan de Tweede Kamer. Die is gewijd aan de voortgang van de strijd tegen IS. Er blijken vier gevallen van mogelijke burgerdoden te zijn onderzocht, zo staat op pagina 11. De beschrijving van de vier onderzochte incidenten is geanonimiseerd. De conclusies zijn geformuleerd door de ministers. „In het ambtsbericht van het Openbaar Ministerie zijn genoemde conclusies/citaten niet opgenomen”, aldus de woordvoerder van het OM. De tekst luidt: „Het eerste geval betrof een aanval van Nederlandse F-16’s op een faciliteit waar zogenoemde vehicle borne IEDs werden gefabriceerd. Na de aanval vonden secundaire explosies plaats waardoor een aantal andere gebouwen in de omgeving werden vernietigd. In de IED-fabriek bleken later veel meer explosieven te hebben gelegen dan vooraf bekend was of kon worden ingeschat. Het is zeer waarschijnlijk dat bij deze aanval burgerslachtoffers zijn gevallen.”

Verloop Onderzoek by NRC on Scribd