Platgedrukt neanderthalerskelet gevonden in Koerdistan

Archeologie De man of vrouw lijkt 70.000 jaar geleden doelbewust begraven. Bij het lichaam lag een grote bewerkte steen.

Platgedrukte schedel van een neanderthaler die op de linkerzij lag in de Iraakse Shanidar-grot.
Platgedrukte schedel van een neanderthaler die op de linkerzij lag in de Iraakse Shanidar-grot. Foto Graeme Barker

In de Shanidar-grot in Iraaks Koerdistan is een nieuw neanderthalerskelet ontdekt, ongeveer 70.000 jaar oud. Uit een eerste analyse van de tanden blijkt dat het gaat om een man of vrouw van middelbare leeftijd. Het is de eerste keer dat een substantieel neanderthalerskelet is teruggevonden sinds de vondst van een neanderthalerkind in de jaren negentig.

Het gaat in Shanidar om een door duizenden jaren sedimentatie platgedrukte romp en hoofd. De gefossiliseerde botten zijn gevonden vlak naast de plek waar in de jaren vijftig resten van tien neanderthalermannen, -vrouwen en -kinderen werden opgegraven, waaronder ook de beroemde ‘bloemenbegrafenis’ van de neanderthaler Shanidar 4. Ook het huidige skelet is waarschijnlijk doelbewust begraven, zo concluderen de Britse onderzoekers onder leiding van Emma Pomeroy (Universiteit van Cambridge) deze week in Antiquity.

Lees ook: Neanderthalers stierven misschien bij toeval uit

De onderzoekers vermoeden dat de botten horen bij het individu dat bij de eerste opgraving Shanidar 6 is genoemd.Shanidar 6 is, net als Shanidar 8, een collectie van botten die niet bij de resten van Shanidar 4 pasten. In afwachting van verder onderzoek is de nieuwe vondst voorlopig Shanidar Z gedoopt.

Bewust begraven

Ook Shanidar Z lijkt doelbewust begraven. Ten eerste lijkt het gat waarin hij of zij lag duidelijk te zijn uitgegraven. En uit de positie van de botten kan worden afgeleid dat het hoofd tegen een rotsblok lag, ondersteund door de linkerarm. Ook de relatieve volledigheid van het skelet wijst erop dat het lichaam bewust is neergelegd op deze krappe plek in de grot. Lichamen die door roofdieren naar een grot zijn gesleept, worden veel fragmentarischer overgeleverd, en de resten liggen wijder verspreid.

In de jaren vijftig is een blok sediment van een halve kubieke meter vlak naast de huidige vindplaats in zijn geheel uit de grot gelicht voor onderzoek in het laboratorium. Daarin zaten de resten van drie volwassen neanderthalers (Shanidar 4, 6 en 8) en een paar botten van een jong kind, Shanidar 9. Omdat dat ingepakte blok toen op het dak van een taxi naar Bagdad is vervoerd – een rit van 500 km – zijn de precieze laagjes in het sediment behoorlijk verstoord geraakt. Shanidar Z lijkt ook bij de groep te horen, maar of de skeletten indertijd tegelijkertijd zijn gedeponeerd is niet meer te zeggen. Al bij het oplichten van het blok was duidelijk dat er nog botten achterbleven. De Amerikaanse hoofdopgraver indertijd, Ralph Solecki (1917-2019), dacht toen nog dat het om dierenbotten ging.

De opgravingen in de grot leidden tot ‘eerherstel’ van de neanderthaler

De opgravingen van Solecki in Shanidar, gepubliceerd in de jaren zestig en zeventig, waren belangrijk voor het eerherstel van de neanderthaler als gevoelige en nadenkende naaste verwant van de moderne mens. Tot dan toe werd de neanderthaler meestal als een rauwe bruut afgeschilderd. Maar als ze hun doden begroeven, dan moesten ze wel enig besef van de dood hebben, en dus ook een beeld van de toekomst en een innerlijk leven, was de veronderstelling. Ook het feit dat neanderthaler Shanidar 1, die elders in de grot lag, na een zware slagwond bij zijn oogkas nog jaren lang doorgeleefd heeft, wees op redelijk goede onderlinge zorg binnen deze neanderthalergroep.

Kannibalistische sporen

Kannibalistische sporen bij neanderthalers van zo’n 160.000 jaar geleden zouden al kunnen wijzen op ‘bijzondere omgang’ met de doden. Rond 120.000 jaar geleden begonnen de eerste duidelijke begravingen. Een tussenvorm, het ‘verbergen’ van lichamen op bijzondere plekken zonder ze te begraven komt overigens ook vaak voor.

Grafgiften zijn een latere ontwikkeling in de zich geleidelijk uitbreidende ‘grafcultuur’. Bij de linkerrib van de nu gevonden Shanidar Z lag een ongewoon grote bewerkte steen met scherpe randen, van ongeveer 30 bij 30 cm. Mogelijk kenden de neanderthalers een bijzondere betekenis toe aan deze steen, waarvan er maar twee bekend zijn, zo opperen de Britse onderzoekers voorzichtig. De behoedzaamheid is begrijpelijk. In de jaren zeventig bepleitte Solecki nog dat de neanderthalers bloemen hadden meegegeven in het graf van Shanidar 4. Hij schreef daarover ook een boek met de pakkende titel Shanidar: the First Flower People (1971). „Iemand in de laatste IJstijd moet daar in het berggebied hebben rondgelopen, met de treurige taak om bloemen te verzamelen voor de doden”, schreef Solecki toen, met veel inlevingsvermogen. Maar later bleek dat de pollenconcentraties die het bewijs vormden voor de bloemlegging ook prima door Perzische woestijnmuizen konden zijn verzameld. De gevonden pollen waren ook allemaal afkomstig uit de directe omgeving van de grot.

Luister ook de podcast van Onbehaarde Apen: Waar zijn de neanderthalers gebleven?