Een brand legt goed bloot hoe fragiel de vinylindustrie is

Langspeelplaten Een brand bij een Amerikaans bedrijf dat essentieel materiaal levert om lp’s te persen toont hoe fragiel de vinylindustrie is.

Productie van lp's in Haarlem.
Productie van lp's in Haarlem. Foto's Sander van Dijk/Record Industry

Paniek in platenland. Bij een brand in de Californische plaats Banning is vorige week een fabriek voor een cruciaal basisproduct voor vinylplaten in rook opgegaan. Dat bedrijf, Apollo Masters, maakte lacquers: aluminium platen met een nagellak-achtige toplaag, waarin de groeven van een plaat worden gesneden. Daarmee kan, met een paar tussenstappen, weer een mal worden gemaakt om de langspeelplaten mee te persen die je thuis op de draaitafel legt.

Een groot verlies, want er waren maar twee fabrieken op de hele wereld waar die dingen worden gemaakt. Nu is er alleen nog MDC in Japan, een klein bedrijf waar ze al niet aan de vraag konden voldoen voordat Apollo afbrandde.

Het woord ‘vinylgeddon’ duikt overal op, want het maken van lacquers – je zegt ‘lakkers’ – is een gespecialiseerd en kwetsbaar proces en het opzetten van een nieuwe lacquer-productielijn is zo kostbaar, dat het in de nichemarkt die vinyl is, de investering niet snel waard is.

Grootste dreiging sinds cd

En het ging net zo lekker met vinyl. De terugkeer van het oude muziekmedium mag dan het afgelopen jaar een beetje ‘uitgehyped’ zijn, toch werden in Nederland 1,2 miljoen lp’s verkocht in 2018, en wereldwijd groeit de markt nog steeds. Nu lijkt het erop dat de grootste bedreiging sinds de uitvinding van de cd voor de deur staat.

„Het is net alsof je bij de dokter hoort dat je iets ergs mankeert. Dan besef je weer even hoe sterfelijk je bent, ook al betekent het niet meteen het einde.” Anouk Rijnders, commercieel-directeur bij Record Industry in Haarlem, zul je het woord vinylgeddon niet horen gebruiken in hun fabriekspand in de Waarderpolder, waar ze platen snijden, persen en meteen in vers gedrukte hoezen steken. Geen paniek, maar bezorgd is ze wel. Record Industry, omzet 20 miljoen euro, is een van Europa’s grootste platenperserijen. Wereldwijd werden in 2019 naar schatting 130 miljoen platen geperst, en daarvan kwamen er 8 miljoen uit Haarlem. Ze maken er platen voor Music on Vinyl, voor grote labels als Warner, Universal en Sony, en voor veel onafhankelijke labels, als Excelsior, Epitaph en V2.

Record Industry snijdt zelf groeven in lacquers, maar koopt de basisproducten in. „Wij hebben nog wel genoeg voorraad staan, en nemen bovendien vooral af van MDC. Dat gaat via leveranciers in Duitsland, die ervoor zorgen dat wij ons niet te veel zorgen hoeven maken.”

Koper

Haarlem heeft nog een troef: koper. Ongeveer tweederde van hun platen wordt gemaakt via ‘direct metal mastering’ (DMM), waarmee ze de groeven in koperen platen snijden. Die produceren ze van begin tot eind in de eigen perserij, en gebrek aan koper is er niet. Maak dan alles op die manier, zou je zeggen, maar zo gemakkelijk is dat niet legt Rijnders uit: „DMM is niet zo goed geschikt voor alle soorten muziek. Dance bijvoorbeeld, komt minder goed tot z’n recht als je het snijdt in koper. Dat heeft een diepe, vette groef nodig en die krijg je met een lacquer.”

De cd doet het nog altijd beter dan de veel te dure lp

Koper heeft weer als voordeel dat de groeven naar het midden van de plaat meer hoge frequenties behouden – geschikter voor dynamische muziek waarin veel gebeurt. Rijnders: „Een klassiek stuk zouden we niet zo snel in lacquer snijden, daar is koper weer geschikter voor.”

Rossig engelenhaar

Haar collega Rinus Hooning, hoofd audio en kwaliteitscontrole, beluistert alle muziek die binnenkomt bij Record Industry en bepaalt of er in lacquer of in koper moet worden gesneden. Hij laat tussen een lacquer-snijtafel en een voor DMM zien hoe het werkt. Vanaf een pc draait hij een stukje Rolling Stones af. „Dit bandje ken je misschien wel”, glundert hij. Op de DMM-snijtafel schraapt een diamantje beheerste rondjes ragfijne draadjes koper uit de plaat. Als rossig engelenhaar valt het netjes in een bak. Hooning laat met een microscoop de grimmige snelwegjes zien die breder, smaller, dieper en ondieper worden, waar uiteindelijk dat warme, diepe vinylgeluid uit bestaat. „Mooi, hè? Ik blijf het ook na 46 jaar in het vak bijzonder vinden.”

Hij is wel iets bezorgder dan zijn collega. „Er zijn gewoon niet genoeg lacquers voor de hele wereld. We worden nu goed voorzien vanuit Japan, maar wat als er een groot Amerikaans platenlabel naar Japan vliegt en zegt: wat kost die hut? Dan zijn we in Europa de klos en kunnen we achteraan aansluiten. Daar lig ik ’s nachts wel een beetje wakker van.”

Hooning pakt een lacquer: een grote plaat, net iets groter dan een lp zodat je ’m aan de randen kunt vasthouden en je vingerafdrukken niet voor altijd in duizenden edities van een album blijven staan. Ze zijn diep donkerblauw, en nogal zwaar.

Ruim veertig jaar geleden schoten we deze muziek voor aliens de ruimte in

In een apart kamertje staat een rek met lacquers, naast een koelkast waarin werknemers hun lunch bewaren. Daarnaast staat de pons waarmee de voor de industrie herkenbare matrixnummers in de binnenste rand van een plaat worden gedrukt – bij koper wordt het met de hand gegraveerd. „Zo kun je bij platen die bij ons vandaan komen altijd zien of ze met een lacquer of koper zijn gemaakt,” zegt Rijnders.

Wat de capaciteit van de Japanse fabriek precies is, is onduidelijk. Een paar importeurs houden scherp in de gaten hoe ze worden verdeeld. Hooning: „Wij krijgen er nu driehonderd per maand, en daar kan ik nèt mee uit. Het zal nu worden herverdeeld. Ik denk dat wij hetzelfde zullen houden, maar ik hoor al her en der om me heen van ‘oh. ik krijg niet meer’ of ‘oh. ik krijg nog zoveel’. Daar wordt veel over gesproken in het wereldje.”

Eigen lacquers

Ze hebben wel eens overwogen zelf een lacquer-productie op te zetten, zoals ze ook met koper hebben gedaan. Hooning: „Maar ik ben wel eens bij Apollo op bezoek geweest en toen wist ik: dat moeten we echt niet doen. Een veel te gecompliceerd, kwetsbaar en lastig chemisch proces.” Rijnders: „Alles is natuurlijk te maken. Als je de basis hebt, de machines, dan kun je gaan sleutelen om het te perfectioneren. Dat hebben we met koper ook gedaan, dat duurde anderhalf jaar, maar het lukte. Maar je hebt wel een erg lange adem en heel veel geld nodig. En vooral de machines, ‘curtain coaters’ waarmee je aan een lopende band platen kunt bedekken met de lak, die zijn enorm kostbaar. De vraag is of dat loont, ik denk het niet.”

De brand bij Apollo legt goed bloot hoe fragiel de vinylindustrie is. Want ook op DMM kan voorlopig niet massaal worden overgestapt: er zijn slechts zestien werkende kopersnijtafels wereldwijd, waarvan er drie in Haarlem staan. En wat nu als MDC in Japan om wat voor reden ook omvalt en de hele lacquer-productie stilvalt? Rijnders haalt diep adem. Hooning haalt zijn schouders en wenkbrauwen op. „Nou ja, dan is er geen keuze, dan gaan we toch helemaal over op koper”, zegt Rijnders. Maar echt houdbaar is dat niet. „Wij willen wel lekker doorwerken, maar de markt om ons heen moet ook gezond blijven. De kennis bij Apollo is niet verloren gegaan. Die is alleen nu even niet bruikbaar. Misschien staan er nieuwe initiatieven op, misschien kan Apollo herstarten. De tijd zal het leren.” Hooning knikt. „En ik ben bezig met een oplossing: er is een nieuwe beitel voor de kopersnijtafel in de maak, die in DMM groeven kan maken zoals in lacquer. Dan hebben we in de toekomst de lacquers misschien helemaal niet meer nodig. We zijn er nog niet, maar we zijn aan het testen en ik heb goeie hoop.”