OM-onderzoek naar ‘Hawija’ was zeer beperkt en kwam laat

Aanval in Irak Het Openbaar Ministerie sprak alleen met Defensie-personeel over de Hawija-aanval. De VS waren niet betrokken bij het onderzoek, dat het OM bovendien pas negen maanden na de aanval begon.

Hawija na het bombardement van juni 2015. De beelden van deze door IS gemaakte film zijn verspreid door Arabische nieuwszender Al Jazeera.

Hawija na het bombardement van juni 2015. De beelden van deze door IS gemaakte film zijn verspreid door Arabische nieuwszender Al Jazeera.

Het onderzoek van het Openbaar Ministerie naar de bloedige Nederlandse aanval op de bommenfabriek van IS in Hawija, had sterke beperkingen en tekortkomingen. Het was zeer afhankelijk van de informatie die Nederlandse militairen over de aanval gaven. De VS werkten niet mee aan het onderzoek. Bovendien kwam het zeer laat op gang, negen maanden na de aanval.

Dat blijkt uit interne stukken die NRC en NOS opvroegen bij het OM op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Het justitiële onderzoek liep van maart 2016 tot december 2017. Het vormde het belangrijkste externe toezicht op de militaire operatie zolang het parlement van niets wist. Het OM onderzocht de „feiten en omstandigheden” rond de aanval en zag geen aanleiding tot strafrechtelijk vervolgonderzoek. Bij de aanval kwamen naar schatting zeventig burgers om het leven, onder wie tientallen vrouwen, kinderen en vluchtelingen.

De conclusie van het OM was belangrijk voor het kabinet om te kunnen laten zien dat er „onafhankelijk” en „zorgvuldig” was gekeken naar de toedracht van de aanval. Minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) zei op 5 november 2019 tijdens een Kamerdebat over Hawija zelfs dat het OM „heeft vastgesteld dat hier rechtmatig is gehandeld”. Zelf zegt het OM dat het onderzoek „niet gericht [was] op de vraag of de geweldsaanwending rechtmatig was, maar op het (zoveel als mogelijk) vaststellen van de feiten en omstandigheden waaronder de burgerslachtoffers zijn gevallen”. Het OM vond in het onderzoek „geen aanleiding om te twijfelen” aan de conclusie van Defensie, van 3 juni 2015, dat de aanval rechtmatig was uitgevoerd. De woordvoerder van het OM beklemtoont dat het destijds over „voldoende informatie” beschikte.

Enorme explosie

April 2018 concludeerde het kabinet op basis van het OM-onderzoek dat de betrokken Nederlandse militairen vooraf niet konden weten dat de aanval van Nederlandse F-16’s tot een enorme explosie zou leiden. „In de IED-fabriek bleken later veel meer explosieven te hebben gelegen dan vooraf bekend was of kon worden ingeschat”, schreven de ministers Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) en Bijleveld aan de Tweede Kamer. Maandag bleek echter al uit geopenbaarde stukken van Defensie dat er vooraf wel degelijk signalen waren dat er een risico kleefde aan de aanval.

Lees het stuk van maandag: Risico van de luchtaanval op IS-bommenfabriek in Hawija was bekend

De conclusie van het kabinet uit 2018 is gebaseerd op informatie van direct betrokken Nederlandse militairen, zoals de F-16-vliegers die de aanval uitvoerden, hun commandant en de red card holder. Deze laatste hooggeplaatste militair gaf op het hoofdkwartier in Qatar namens Nederland groen licht voor de aanval.

Met name de handelwijze van de red card holder is belangrijk voor beantwoording van de vraag of Nederland vooraf meer kon weten van risico’s voor de burgerbevolking. Won hij vooraf genoeg informatie in over de bommenopslag en de omgeving daarvan? Het bombarderen van een doel dicht bij woonwijken ging namelijk in tegen Nederlandse richtlijnen voor de strijd tegen IS, zo blijkt uit stukken die het OM na een Wob-procedure vrijgaf. „Aanvallen op doelen in de omgeving van dichtbevolkte doelen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen”, luidt een van de geheime targeting directives van Defensie. Opvallend genoeg zat dit stuk niet bij de Wob-documenten van Defensie die maandag werden vrijgegeven.

Lees ook de reconstructie over het OM-onderzoek: ‘Strik eromheen en klaar’, mailt OM-ambtenaar

Het OM beschikte niet over materiaal om de verklaringen van de Red Card Holder en andere Nederlandse militairen onafhankelijk te toetsen. Bestaande verdragen tussen Nederland en de VS voorzagen daar niet in, volgens het Amerikaanse leger. Toegang tot geheim Amerikaans inlichtingenmateriaal was er niet. Ook kon het OM geen onderzoek op de grond doen om getuigen in Hawija te horen, zo bevestigt een woordvoerder. De IS-bezetting maakte dat onmogelijk.

Zeer laat op gang

Het OM-onderzoek kwam zeer laat op gang. De commandant van het detachement dat IS aan het bombarderen was, repte op 3 juni in zijn after action report alleen van nevenschade aan gebouwen. Twee dagen na de bloedige aanval zei de Amerikaanse commandant John Hesterman tijdens een persconferentie expliciet dat het Pentagon rekening hield met burgerdoden. De VS gingen onderzoek doen, net als Defensie zelf. Pas nadat de Amerikanen eind februari 2016 aan Nederland hadden laten weten dat burgerdoden waarschijnlijk waren, ging het OM in maart aan de slag. Uiteindelijk duurde het tot september 2016 voordat de eerste getuigen werden gehoord, blijkt uit gepubliceerde e-mailwisselingen. Het zeer laat horen van getuigen geldt in juridische kring als onzorgvuldig. Het Europese Hof van de Rechten van de Mens tikte Nederland in 2014 op de vingers omdat het OM in 2004 zes uur had gewacht met het verhoren van een getuige van een schietincident in Irak (zaak-Jaloud). Dat geeft te veel gelegenheid tot het onderling afstemmen en construeren van verklaringen, aldus het Hof.

Het OM is, los van de Hawija-zaak, begonnen met de herziening van de meldingsprocedure van mogelijke burgerslachtoffers, zegt een woordvoerder. De ervaringen met Defensie in de Hawija-zaak worden daar wel bij betrokken. De woordvoerder van het OM: „Het Openbaar Ministerie heeft er groot belang bij om in een vroeg stadium door Defensie te worden geïnformeerd over burgerslachtoffers.”