Opinie

Het Korps Mariniers hield overheid ook een spiegel voor

Kazerne

Commentaar

Een ziedende commissaris van de koning, een stuntelende staatssecretaris en aanhoudend politiek mismanagement in het kabinet. Na acht jaar vergaderen en verwachtingen wekken, eindigde het dossier ‘marinierskazerne van Doorn naar Vlissingen’ dit weekend in een crisis in het binnenlands bestuur. Het gaat namelijk niet door.

Maar een ‘donderslag bij heldere hemel’, zoals de boze commissaris Han Polman (D66) het in Buitenhof noemde, was het alleen voor wie de tekenen niet verstond. Het dossier wordt gekenmerkt door uitstel op uitstel en groeiende reële operationele, logistieke en personele bezwaren. Dit alles voor een defensie-investering die eerder een zwakkere provincie beoogde te steunen dan bedoeld was om militaire doelmatigheid en operationele kracht te bevorderen.

De verhuisbeslissing was vooral politiek, dat geldt dus ook voor de mislukking. Hoe langer er vergaderd werd, hoe meer complicaties er opdoken, hoe sterker de kans op succes afnam. In die zin was de kazernebeslissing een demonstratie van de zwakheden in politieke besluitvorming. Gebrek aan samenwerking, daadkracht en, uiteindelijk, de innerlijke overtuiging dat het zo ook écht moest. Het kazernedebacle was aldus meer een ongeluk waar je op kon wachten, dan de spreekwoordelijke donderslag.

Lees ook Hoe kan je als marinier niet naar Zeeland willen?

Het was natuurlijk vele malen beter geweest als de bestuurders in Den Haag en Middelburg tijdig onder ogen hadden gezien dat deze beslissing achterhaald was. En bovendien de weerstand bij de gezinnen totaal onderschatte. Die keerden in zorgelijk tempo het korps de rug toe bij het vooruitzicht te moeten verhuizen. Dat is een signaal waar geen werkgever ongevoelig voor kan zijn, zeker niet op een krimpende arbeidsmarkt. En al helemaal niet bij een vitaal belang als defensie, waarbinnen de mariniers een elitegroep vormen. Hoezeer Zeeland zich laat voorstaan als aantrekkelijk leef- en vestigingsgebied, hier wordt de overheid toch een spiegel voorgehouden. Spreidingsbeleid heeft nu echt z’n langste tijd gehad.

Lees ook: Verkast de zaak? Wees dan een ‘goed werknemer’

Let wel, veel van de verontwaardiging van de Zeeuwse bestuurders is terecht. Staatssecretaris Barbara Visser (Defensie, VVD) heeft, naar het zich laat aanzien, daadwerkelijk gelogen over of het ministerie van Defensie nu wel of niet alternatieven voor Vlissingen onderzocht. Door dat af te doen als „geruchten” en te beweren dat er geen goed moment is om het „dilemma” met Zeeland te bespreken, laat ze zich kennen als zwak en onbetrouwbaar.

Slecht nieuws wordt immers niet beter als je het verzwijgt. Sterker, het schaadt het vertrouwen, het schept een beeld van onbetrouwbaarheid en jaagt de gesprekspartners op de kast. Daar zijn ze zich nu bijna handenwrijvend (compensatie!) aan het verschansen, als we Polman mogen geloven. Het kabinet wees haastig een andere minister aan, Knops (Binnenlandse Zaken, CDA), plus een ‘gezant’ om het gesprek met Zeeland weer op gang te brengen. Dat is een afgang voor Visser, en daarmee van het kabinet. Hoe deze staatssecretaris zich hierna nog kan vertonen aan onderhandelingstafels van het binnenlands bestuur, is een open vraag. Vertrouwen komt te voet en gaat te paard, zo wil het gezegde.

Visser zorgde voor een crisis met de regio Zeeland, die elders in het land ook zal resoneren. In een tijd waarin Den Haag verantwoordelijkheden decentraliseert, waarin milieu, huisvesting, zorg en ruimtelijke ordening juist om meer lokale bestuurskracht vragen, is dat precies het omgekeerde van wat nodig is.