Opinie

Zwakke wijk is nog geen ‘banlieue’

Urbanisme De vergelijking tussen moeilijke wijken in Nederland en die in Frankrijk gaat mank, schrijft .
De wijk Chêne Pointu, in de Parijse voorstad Clichy-sous-Bois, is het decor van de film Les Misérables.
De wijk Chêne Pointu, in de Parijse voorstad Clichy-sous-Bois, is het decor van de film Les Misérables. Foto Philippe Lopez/AFP

Aedes heeft de noodklok geluid over de leefbaarheid in ‘zwakke wijken’. In een rapport waarschuwde de koepelorganisatie van woningcorporaties voor een sterkere concentratie van kwetsbare groepen en toenemende gevoelens van onveiligheid onder bewoners. Het woningaanbod zou diverser moeten worden. „Alleen zo voorkom je banlieues zoals in Frankrijk”, aldus een van de onderzoekers in NRC (4/2).

De Franse voorsteden als doemscenario voor Nederland: het onderstreept de dreiging van een sociale en ruimtelijke tweedeling in ons land. Maar de vergelijking met Frankrijk schuurt en gaat minder makkelijk op.

Tussen de jaren vijftig en zeventig van de vorige eeuw werden in Frankrijk de grands ensembles uit de grond gestampt: massale woonblokken en torens in de periferie, vaak afgesneden van andere stadsdelen. De nieuwe wijken werden aanvankelijk gepresenteerd als toonbeeld van moderniteit, het nieuwe wonen.

Al snel veranderde dat rooskleurige beeld. De (te) snel gebouwde flats raakten in verval, de middenklasse vertrok en de wijken werden geassocieerd met verveling en criminaliteit. We zien een soortgelijke ontwikkeling in Nederland, zoals in de Bijlmer en in de in NRC geportretteerde L-flat in Zeist (8/2).

Het verschil is de schaal. De omvang van de voorstedelijke wijken in Frankrijk is veel groter dan in Nederland. De wijken liggen ook vaak geïsoleerder en de opzet van de wijken is uniformer. In Nederland worden de hoge flats vaker dan in Frankrijk afgewisseld met laagbouw en gewone huizen. Het startpunt was dus al anders. Wat volgde ook.

Lees ook: Vier vragen over zwakke wijken

Collectief geweld

De dynamiek van de zwakke voorstedelijke wijken wordt in Frankrijk sterk gekleurd door een lange geschiedenis van collectief geweld. De zomer van 1981 geldt vaak als begin van van wat in Frankrijk la crise des banlieues wordt genoemd. Illegale straatraces, autobranden en confrontaties tussen jongeren en politie in Lyon werden voor het eerst groots uitgemeten in de media en het politieke debat. Daarna volgden talloze uitbarstingen van voorstedelijk geweld, met als (voorlopig) dieptepunt de opstanden in 2005.

In drie weken tijd verspreidde het geweld zich over driehonderd wijken, meer dan tienduizend auto’s gingen in vlammen op, postkantoren, bibliotheken en scholen. De aanleiding bij dit soort collectieve geweldsuitbarstingen is vaak de dood of verwonding van jonge banlieue-inwoners.

De politie is vaak direct (politiekogels, mishandeling) of indirect (roekeloze achtervolgingen) betrokken. Dan gaat het kortstondig over de structurele problemen: torenhoge werkloosheid, armoede, uitsluiting en discriminatie. Als de branden zijn uitgedoofd, raken politieke beloftes voor échte verbetering in de vergetelheid. Tot frustratie van veel bewoners.

De verontrustende relatie tussen jongeren en de Franse politie is ook duidelijk zichtbaar in de alledaagse dynamiek van de wijk. Een aantal jongeren is in een kat-en-muisspel met de politie beland, waarbij geen van beide partijen gezichtsverlies wil leiden. De explosieve Franse speelfilm Les Misérables, onlangs voor een Oscar genomineerd, getuigt hiervan.

De minder repressieve en verbindende aanpak van de Nederlandse politie zorgt voor een totaal andere dynamiek. Geweldsuitbarstingen zoals in Frankrijk zijn hier zeldzaam.

Lees ook: De slag om Parijs is al lang beslecht

Territoriale breuklijnen

Een derde verschil is dat de dominante maatschappelijke scheidslijnen anders liggen ingebed. Het geweld en de problematiek worden in Frankrijk veel sterker dan in Nederland geduid en geïnstitutionaliseerd langs ‘territoriale’ breuklijnen en minder expliciet gegoten in ‘etnische’ categorisaties. De ophef in Nederland over de ‘Marokkanen-tweet’ van Thierry Baudet illustreert de fixatie van sommigen om ‘overlast’ gemakzuchtig te verklaren door enkel naar etniciteit te wijzen.

Hoewel vaak ook gedrenkt in raciale en religieuze stereotypen, gaat het in Frankrijk in eerste instantie over banlieusards of les jeunes des banlieues (voorstedelijke jongeren); een identiteitscategorie die in Nederland betekenisloos is. Het territoriale stigma is hardnekkiger in Frankrijk. Veel jongeren uit zwakke wijken spreken van een dubbele vorm van discriminatie: op basis van afkomst én postcode.

Jongeren voelen zich vaak genoodzaakt om zich te verhouden tot het ‘banlieuelabel’ dat ze opgeplakt krijgen. Sommigen komen in opstand en proberen een positiever beeld van de banlieues over het voetlicht te krijgen. Anderen omarmen juist het stereotiepe beeld van de gevaarlijke ‘gangsters uit het getto’ en dragen dat actief uit. Weer anderen proberen het te ontvluchten en brengen zo min mogelijk tijd door in de wijk. Ze verhuizen als ze de mogelijkheid hebben.

Zorgen over toenemende segregatie en een concentratie van werkloosheid, armoede en criminaliteit bestaan zowel in Frankrijk als Nederland. Een vergelijking tussen landen kan een spiegel voorhouden, behulpzaam zijn om de problematiek beter te doorgronden en ons bewust maken van blinde vlekken in onze nationale context.

De suggestie dat de Nederlandse wijken makkelijk kunnen afglijden naar de situatie in de ‘banlieues’ is echter te kort door de bocht. Daarvoor verschillen de intensiteit, dynamiek en dominante maatschappelijke breuklijnen in Frankrijk te veel van die in Nederland. De banlieues slechts wegzetten als doemscenario reproduceert bovendien het stereotype beeld van deze wijken, en vergeet dat dit óók plekken zijn van bruisende creativiteit, sportief talent en culturele vernieuwing.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.