Opinie

Schaamte

Marcel van Roosmalen

Mijn ouders kwamen uit katholieke Noord-Brabantse gezinnen. Een eigen mening werd niet op prijs gesteld. Mijn moeder ging pas studeren na de dood van haar ouders, de grootste overwinning van mijn vader was dat hij met mijn moeder naar Arnhem verhuisde. Daar stokte de ontwikkeling.

Wat ik van mijn ouders meekreeg was: hou je op de achtergrond, val niet op, stel geen vragen.

Ze zeiden nog net niet: denk maar niet dat je iets bijzonders bent.

Toen ik de eerste keer van school gestuurd werd gaven ze al mijn docenten een boekenbon. Een pleister op de wond, waarvan ze niet wisten dat ze ’m hadden.

Toen ik werd aangenomen bij mijn eerste baan in journalistiek drukte mijn vader me op het hart om vooral te vinden wat mijn hoofdredacteur vond.

Bescheidenheid werd gezien als een deugd, ‘spreken in het openbaar’ was de vijand die zo nu en dan je pad kruiste. Pas toen hij met de VUT ging hield mijn vader zijn eerste speech. Hij oefende dagenlang met mijn moeder in de woonkamer, hoogtepunt was de zin: „Werken bij de provincie is als een kam kopen als je bijna geen haar meer hebt.”

„En dan een stilte laten vallen”, zei mijn moeder. „Dat vinden de mensen leuk.”

Mijn moeder sprak – kort – bij de begrafenis van haar lievelingszus, na afloop vroeg ze aan iedereen of ze te verstaan was geweest.

Op de middelbare school kon ik weken opzien tegen een spreekbeurt, pas na mijn studententijd leerde ik spreken in het openbaar. In Amsterdam verbaasde ik me weleens over voordrachten van de kinderen van vrienden.

Vorige week moest mijn oudste dochter (4) eraan geloven. Ze moest bij de musical naar voren komen en haar naam en functie oplepelen.

„Ik ben Lucie en ik speel engel.”

We hadden het meerdere keren geoefend.

We zaten op stoelen in de aula, de juffen lagen voor het podium instructies te geven.

Toen ze aan de beurt was zei ze niets, net zo lang tot een ander meisje zei wie ze was. Daarna hadden we kort oogcontact: ik zag een boerderij in Noord-Brabant. Tien minuten later liep ze opeens naar de microfoon om heel hard ‘hallo’ te zeggen. Na het afschminken en klassikaal ranja drinken, kwam ze naar ons toe. Ze zei dat ze eerst niets had durven zeggen, maar later wel.

Over de veertig jaar die mijn vader nodig had binnen het kwartier. Ik had last van gepaste trots: de eerste kop van het monster was afgehakt en ze vond het heel normaal.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.