Risico van de luchtaanval op IS-bommenfabriek in Hawija was bekend

Burgerdoden Nederland wist dat de Hawija-aanval, waarbij 70 burgerdoden vielen, riskanter was dan berekend. Toch werd die doorgezet.

Minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA, midden) op weg naar het Hawija-debat in de Tweede Kamer, november 2019.
Minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA, midden) op weg naar het Hawija-debat in de Tweede Kamer, november 2019. Foto: David van Dam / ANP

Nederland had voorafgaand aan de bloedige aanval op de bommenfabriek van Islamitische Staat in het Iraakse Hawija signalen dat de explosie na het bombardement riskanter zou kunnen zijn dan in de modellen vooraf was berekend. Een vergelijking met aanvallen op soortgelijke doelwitten van IS, voorafgaand aan de aanval op 3 juni 2015, wees uit dat „de verwachte nevenschade groter zou kunnen zijn dan de CDE aangaf”.

Dat staat in een intern document dat Defensie maandag openbaar heeft gemaakt en dat hieronder is terug te lezen. De CDE is de afkorting van Collateral Damage Estimate, het computerprogramma dat van tevoren berekent of er kans is op burgerslachtoffers bij een aanval. Achteraf werd bekend dat er naar schatting zeventig burgers zijn omgekomen.

Zie ook ons dossier over de luchtaanval op Hawija

NRC en NOS vroegen op basis van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) alle stukken op bij het ministerie van Defensie over de aanval op Hawija. Bij die stukken zit ook het onderzoek dat Defensie deed naar de aanval. Daaruit blijkt nu dat Nederland, ondanks het zorgwekkende signaal vooraf, de aanval doorzette. De hoge militair (red card holder) die namens Nederland groen licht gaf, ging ervan uit dat de schade beperkt zou blijven tot het industrieterrein rondom de fabriek. Daar verbleven hooguit IS-strijders, was de gedachte. Bovendien zou de aanval in de nacht worden uitgevoerd als het terrein zo goed als verlaten was.

Nederland concludeerde dat de verwachte nevenschade „niet buitensporig was in verhouding tot het verwachte militaire voordeel”

NRC en NOS meldden in oktober vorig jaar na bezoek aan het gebied dat er vluchtelingen uit ander gebied in gebouwen op het industrieterrein waren getrokken, en in woningen rondom het terrein. Die informatie had Nederland vooraf kennelijk niet, ondanks het feit dat het doel „langdurig geobserveerd” is. Dat staat in een verslag dat de toenmalige minister Jeanine Hennis (Defensie, VVD) in juni 2015 kreeg van de militaire top.

Nederland concludeerde, aldus het rapport van Defensie, dat de verwachte nevenschade „niet buitensporig [was] in verhouding tot het verwachte militaire voordeel”. Met 18.000 kilo aan opgeslagen explosieven was de opslagplaats de grootste van IS in Irak.

Uiteindelijk raakten vierhonderd gebouwen in Hawija beschadigd na het bombardement. Naast de zeventig burgerdoden waren er honderd gewonden. Nadien hebben Nederlandse F-16’s geen bommenfabrieken van IS dicht bij woonbuurten meer aangevallen, vertellen bronnen aan NRC en NOS. Dit gebeurde mogelijk in reactie op het bloedbad in Hawija.

Daags na het bombardement wisten hoge ambtenaren van diverse betrokken Haagse ministeries al dat er burgerslachtoffers gevallen zouden kunnen zijn, blijkt uit stukken die deze ministeries maandag vrijgaven. „De secundaire explosie met onvoorziene omvang heeft mogelijk tot burgerslachtoffers geleid. Dit is nog niet vastgesteld”, staat in een nota van het ministerie van Justitie van 5 juni, twee dagen na de aanval. Een justitieambtenaar had dat een dag eerder vernomen tijdens de bijeenkomst van de Stuurgroep Missies en Operaties. Daarin overlegden ambtenaren van verschillende ministeries over de strijd tegen IS. Buitenlandse Zaken, ook vertegenwoordigd, had contact met het Rode Kruis. Dat had een rapport gemaakt dat repte van 170 burgerdoden in Hawija.

Rutte informeren

Uit de diverse Wob-stukken blijkt verder dat premier Mark Rutte (VVD) en zijn departement volgens de geldende procedures moesten worden ingelicht na meldingen van mogelijke burgerslachtoffers. In het document Proces meldingen vanuit het inzet gebied staat: „De minister van Defensie besluit tot het informeren van de betrokken ministers en de minister-president. Op hoog-ambtelijk niveau (Stuurgroep Missies en Operaties) is er eveneens een informatie-uitwisseling”.

In een ander stuk, getiteld Procedure minimaliseren/melden burgerslachtoffers staat: „De CDS [commandant der strijdkrachten] informeert zo spoedig mogelijk de minister van Defensie. De andere betrokken ministeries (in ieder geval AZ, BZ, V&J) worden eveneens zo spoedig mogelijk geïnformeerd.”

Uit de stukken is niet op te maken of Rutte daadwerkelijk op de hoogte is gesteld. De premier zei november vorig jaar „geen actieve herinnering” te hebben gehad van een melding in de weken na de aanval. Hij sloot niet uit dat dit toch gebeurd is.

De Wob-stukken die worden genoemd zijn te lezen op nrc.nl.

Met medewerking van Floor Boon.