Opinie

Premier Rutte moet af van zijn benepen nee zeggen in Europa

begrotingsonderhandelingen

Commentaar

Het Nederlandse ‘nee’ is één van de wetmatigheden bij de onderhandelingen over de Europese meerjarenbegroting waarover de regeringsleiders van de 27 lidstaten van de Europese Unie elke zeven jaar afspraken maken. De nieuwe voorzitter van de Europese Raad, de Belg Charles Michel, hoopt komende donderdag tijdens een ingelaste top een akkoord te kunnen bereiken. De kans dat dit zal lukken wordt vooralsnog klein geacht. De standpunten van de landen liggen nog te ver uiteen. In elk geval doet de Nederlandse positie onder leiding van premier Mark Rutte (VVD) vertrouwd aan: tegen.

Dat er stevig en lang onderhandeld wordt hoort bij dit zevenjaarlijkse spektakel. Want behalve de hoogdravende verhalen over Europa als waardengemeenschap is de Europese Unie natuurlijk vooral ook een gemeenschap van nationale belangen. Elk land zal zijn best doen zoveel mogelijk terug te krijgen uit de Europese pot die volgens het laatste voorstel van voorzitter Michel van 2021 tot en met 2027 bijna 1.100 miljard euro zal bedragen. Veel geld, maar afgezet tegen nationale begrotingen ook weer niet extreem veel. Het gaat om 1,07 procent van het bruto nationaal product van alle lidstaten gezamenlijk.

Het blijft elke zeven jaar een weinig verheffend schouwspel waarbij na afloop van afmattende, veelal nachtelijke besprekingen elke regeringsleider zich tot winnaar uitroept. De simpelste oplossing is de Europese Unie door middel van een eigen belastingheffing over een vaste inkomstenbron te laten beschikken. Hierdoor kan het treurige gevecht om de contributie per lidstaat achterwege blijven. Maar voor een dergelijke aanpassing is Europa, zeker in het huidige sceptische tijdperk, veel te ver weg.

Wel worden voornemens om de Europese begroting grondig te ‘moderniseren’ elke keer na een moeizaam bereikt akkoord aangekondigd. Om vervolgens te blijven steken in goede bedoelingen. Nog altijd vertoont de meerjarenbegroting de sporen van het oude Europa, met het leeuwendeel van de uitgaven (ruim 35 procent) bestemd voor landbouwsubsidies. Oude economie dus waarbij de bestedingen voor innovatie en klimaat schril afsteken.

Ook van het ‘iedereen-moet-mee-kunnen-profiteren’-principe bij cohesie- en structuurfondsen kan maar geen afscheid worden genomen. De fondsen zijn bedoeld als steun voor minder ontwikkelde gebieden in de EU. Veel gaat naar infrastructuur om de economische ontwikkeling te bevorderen. Maar ook rijke landen als Nederland kunnen een (bescheiden) beroep doen op deze fondsen. Met als extreem voorbeeld de met behulp van de Europese Unie gefinancierde fietspaden op de Veluwe. Soms is Europa inderdaad ‘echt belangrijk’.

Alles wijst erop dat de onderhandelingen eind deze week weer als vanouds zullen verlopen. Met een verbeten strijd tussen de ‘zuinige’ vier lidstaten onder aanvoering van Nederland versus de ‘potverteerders’. Een verlammende discussie die het imago van de EU verder zal schaden. Terwijl het om zo veel meer gaat.

Als één van de economisch best presterende landen van Unie bezit Nederland de luxe minder eendimensionaal naar de begroting te kijken. Maar helaas kiest Rutte wederom voor het ooit door de Britse premier Margaret Thatcher geïntroduceerde benepen ‘I want my money back’-adagium. Maar de onderhandelingen zijn geen wedstrijd. Het is een investering in Europa. Dat Europa waar juist Nederland, hoe er ook gerekend wordt, zo veel aan verdient.