Recensie

Recensie Muziek

NKK en Cappella Amsterdam bewijzen behoefte aan twee topkoren

Klassiek Het Nederlands Kamerkoor en Cappella Amsterdam zongen in twee totaal verschillende, maar even schitterende programma’s.

Het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Paul Van Nevel.
Het Nederlands Kamerkoor onder leiding van Paul Van Nevel. Foto Melle Meivogel

Zondag kon je in Amsterdam op één dag naar Cappella Amsterdam en het Nederlands Kamerkoor (NKK) luisteren. Twee topkoren, waarvan één (het NKK) wel rijkssubsidie krijgt, terwijl het andere zichzelf noodgedwongen heeft moeten heruitvinden. Cappella, dat in 2020 vijftig jaar bestaat, hoopt dit jaar terug te keren in de ‘basisinfrastructuur’ (structurele rijkssubsidie). Met totaal verschillende, maar even schitterende programma’s bewezen NKK en Cappella dat er in Nederland behoefte is aan twee kamerkoren op het hoogste niveau.

Cappella Amsterdam combineerde Franse koormuziek met Stravinsky én de springlevende Amerikaan David Lang. De afwisseling van uiteenlopende esthetica’s werkte verrassend goed. Drie delen uit Langs pas voltooide cyclus the writings, op fragmenten uit het Oude Testament, vormden gezamenlijk de ruggengraat. Vooral solitary, door Lang voor Cappella geschreven, en het geduldige where you go maakten veel indruk. In de coda van where you go vlochten de stemmen zich solistisch ineen op de regel ‘I will never leave you’: aangrijpend mooi. Dirigent Daniel Reuss wil met Cappella de complete cyclus op cd zetten – iets om naar uit te kijken.

Cappella schakelde moeiteloos tussen Langs heldere, uitgepuurde idioom en de weelderig stromende klanktaal van Faurés koorklassieker Cantique de Jean Racine. Het slotstuk was Stravinsky’s meesterlijke Psalmensymfonie in de bewerking voor piano vierhandig door Sjostakovitsj. De afstemming met pianisten Pierre-Fabien Roubaty en Céline Latour-Monnier was prima en Cappella klonk uitstekend. Door de kalere begeleiding hoorde je alles – ook wat een knotsgek stuk het eigenlijk is, vol bokkensprongen en rare overgangen. En de fuga van het tweede deel klonk opvallend guur en duister: meer Sjostakovitsj dan Stravinsky.

Nederlands Kamerkoor

Het Nederlands Kamerkoor werkte veelvuldig met gastdirigent Reinbert de Leeuw, die vrijdag op 81-jarige leeftijd overleed. NKK-directeur Tido Visser riep voorafgaand aan het concert op tot een minuut stilte in wat hij ‘de huiskamer van Reinbert’ noemde, de grote zaal van het Muziekgebouw. Met een andere vaste gastdirigent, Paul Van Nevel, zong het Kamerkoor vervolgens in een intieme cirkelopstelling middeleeuwse Franse liederen over liefde en erotiek.

De beste plek had dichter Luuk Gruwez, die in het midden gezeten enkele bewerkingen van de liedteksten voorlas. Van Nevels kennis van dit repertoire is onuitputtelijk en allerlei juweeltjes kwamen voorbij. Het oudste werk was een ontroerend liedje van Adam de la Halle (midden 13de eeuw), de jongste componist, Charles Tessier (rond 1600), zorgde voor een vrolijke uitsmijter, nadat de scabreuze liedjes van Antoine Bruhier menigeen al aan het grinniken hadden gebracht.

Daartussenin verbijsterde het anonieme Cypriotische lied ‘Je sui trestout d’amour raimpli’. Uitgevoerd zonder bassen, met een dunne, haast ijle klank, bezat het een anderwereldse, bezwerende schoonheid, dooraderd met wrange chromatiek. Soms vroeg je je af of dit wel de bedoeling kon zijn – maar dan loste de tonale bizarrerie weer feilloos op in een louterend kwintoctaaf.