Analyse

Is het tijd voor een nationaal historisch museum?

Tijdgeest SP en CDA blazen de discussie over een nationaal historisch museum nieuw leven in. Ze lijken de tijdgeest mee te hebben.

Een vertekend beeld van de Beeldenstorm
Een vertekend beeld van de Beeldenstorm Venster De Beeldenstorm, 1566 (Museum Prinsenhof Delft)

„Een volk zonder geschiedenis bestaat niet”, schreef toenmalig SP-leider Jan Marijnissen in 2005. Marijnissen pleitte in het boekje Waar historie huis houdt voor de oprichting van een nationaal historisch museum. Nederlanders doen „zo besmuikt en nonchalant” over hun nationale verleden. Het pleidooi van Marijnissen vond steun bij CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen. De Tweede Kamer nam een jaar later een motie aan, en er kwam een kabinetsvoorstel.

Lees ook: De ideale canon is een bewegende

Maar het plan verzandde in Haagse ruzies en praktisch gedoe. Het museum kwam er nooit.

Nu, veertien jaar later, blazen SP en CDA hun plan voor een nationaal historisch museum nieuw leven in. SP-leider Lilian Marijnissen pleit net als haar vader destijds voor „hernieuwde waardering van het belang van kennis van onze wordingsgeschiedenis”. Samen met CDA-fractievoorzitter Pieter Heerma had ze het in het Algemeen Dagblad over een centrale plek waar de Nederlandse identiteit beleefd kan worden. Een uitgewerkt voorstel hebben Marijnissen en Heerma overigens nog niet. Maar ze willen voorkomen, zeggen ze, dat het project opnieuw een mislukking wordt.

Identiteitsdebat

Misschien hebben de partijen de tijdgeest nu iets meer mee dan Jan Marijnissen en Maxime Verhagen. Geschiedenis en nationale identiteit waren nauwelijks gepolitiseerde thema’s in 2006. „Geschiedenis is muf en een eigen identiteit als land is eng”, vatte Jan Marijnissen het zelf destijds samen. Pleidooien voor meer aandacht voor de geschiedenis hadden volgens critici een zweem van nationalisme. Femke Halsema, toenmalig leider van GroenLinks, betwijfelde of iets als een nationale identiteit „grijpbaar” kon worden, als ze al te definiëren was. Andere bezwaren: duur, ouderwets en overbodig.

De laatste jaren zijn geschiedenis en identiteit het politieke debat steeds meer gaan bepalen. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) schreef vorig jaar dat „de nationale politisering van de culturele identiteit” inmiddels door links én rechts gevoed wordt. „Rechts door de afwijzing van multiculturalisme; links door de afwijzing van etnocentrisme.”

Partijen als de PvdA, GroenLinks en Denk willen dat er meer aandacht komt voor het koloniale verleden, de slavernij en de positie van migranten. Maar op links wordt ook meer over nationale identiteit nagedacht dan destijds, toen de SP daar min of meer alleen in stond. PvdA-leider Lodewijk Asscher vond in 2017 de term ‘progressief patriottisme’ uit. Hij wilde tegenover „het bangige, krampachtige patriottisme van rechts” een linkse trots op Nederland formuleren, zoals op de verzorgingsstaat en de kwaliteit van medische zorg.

Rechtse partijen benadrukken hun trots op de nationale geschiedenis. CDA en VVD pleitten vorig jaar nog voor het permanent tentoonstellen van, zoals zij het noemden, „de geboortepapieren van Nederland”: het Plakkaat van Verlatinghe, de Unie van Utrecht en de Apologie van Willem van Oranje. FVD-leider Thierry Baudet plaatste vorig jaar op YouTube een serie filmpjes over nationale historische figuren, om „de schaamte en het schuldgevoel” over de Nederlandse geschiedenis weg te nemen.

De discussie rondom de Canon van Nederland laat zien dat de kijk op geschiedenis verandert. Een commissie onder leiding van hoogleraar James Kennedy onderzoekt in opdracht van het kabinet manieren om de Canon, de leidraad voor het geschiedenisonderwijs, diverser en eigentijdser te maken, met meer aandacht voor de schaduwkanten van de Nederlandse geschiedenis.

Vorige maand schreef ook de invloedrijke publicist Paul Scheffer in NRC dat de tijd rijp is voor een nationaal historisch museum. „Het is doodzonde dat het museum destijds mislukt is, ,zegt Scheffer aan de telefoon. „Australië, Duitsland, de Verenigde Staten en Canada hebben allemaal wel zo’n museum. Wij hebben ook zo’n plek van nationale reflectie nodig.”

Wat misschien niet helpt, is dat het identiteitsdebat is gepolariseerd. Wie bepaalt wat er in zo’n museum komt? Het is vragen om jarenlange discussies. Maar, zegt Scheffer, het voordeel is dat „de kramp er vanaf is”. „Toen ontkenden veel partijen dat er een gemeenschappelijk verhaal van Nederland te maken was.” Het ideale nationale museum „laat de hoogte- én dieptepunten van de geschiedenis zien”, zegt Scheffer. „We moeten boven het eeuwige gevecht tussen trots en schaamte uitstijgen.”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.