Opinie

Extreem leeg

Ellen Deckwitz

Afgelopen week moest ik voor een blad op de foto en zo stond ik in een boekhandel de ene na de andere interessante kop te trekken. Aanvankelijk was er niets aan de hand – ik zag geen enkel boek van een van mijn exen wat betekende dat deze winkel een veel betere smaak had dan ik – en loenste gelukzalig in de lens.

„Ik fotografeerde laatst een collega van je”, zei de fotograaf opeens, „hij wilde pas naar huis als hij iets had gestolen.” Meteen veranderde mijn blik in die van een dief en de winkel in een landschap vol jatkansen. Ik had nog nooit iets gestolen maar kon nergens anders meer aan denken, net zoals wanneer je op een hoog gebouw staat je de hele tijd bang bent dat je zal springen, of wanneer er een duif voor je voeten loopt je opeens een stiftje wilt doen. Ik was opgelucht toen de fotosessie erop zat en ik geen enkel strafbaar feit had gepleegd.

Maar op weg naar huis bleef ik onrustig. Ik zag allemaal dingen die ik kon stelen: een portemonnee die uit een kontzak stak, de gemuilkorfde dobermann die bij de supermarkt aan een paaltje vastgebonden stond. En hoezeer ik mezelf ook voorhield dat juist het níét ondernemen van actie voor me pleitte, werd ik gekweld door mogelijkheden, en dan niet alleen aan (mis)daden, maar ook aan identiteiten.

Ik moest denken aan een vriendin die eens met een vrouw had gezoend. Niet omdat ze op vrouwen viel of hen überhaupt aantrekkelijk vond, maar omdat ze gewoon iemand wilde zijn die eens met een vrouw had gezoend. Ik ken iemand met verlammende hoogtevrees die toch maar ging bungeejumpen om zo zijn aanbedene ervan te overtuigen dat hij echt wel avontuurlijk was (vervolgens moest die arme jongen aan de EMDR-therapie). Soms doe je iets dat tegen je aard indruist om meer te zijn dan je al was. En aan diefstal, hoe asociaal ook, kleeft een zekere rebellie die, als je niet uitkijkt, iets stoers heeft.

Toen ik mijn straat in liep, zag ik dat aan de lantarenpaal voor mijn huis een wiel aan een hangslot hing. Wat vreemd dacht ik, nog helemaal in een andere dimensie, wie hangt er nou een wiel aan een lantarenpaal, tot het tot me doordrong dat er aan dat wiel natuurlijk een fiets had vastgezeten. Opeens zag ik de rest van het rijwiel, de dief maar ook de gedupeerde. Stelen is voor kneuzen dacht ik, en voelde de dievegge in mij dood neervallen. Opgewekt haalde ik adem: ik was bestand gebleken tegen een nieuwe versie van mezelf. Fluitend opende ik mijn voordeur, mijn handen koesterend, trots op hun extreme leegheid.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.