Opinie

Zomer- noch wintertijd

In Europa

Francis Fukuyama schreef laatst in The Journal of Democracy dat de politiek dertig jaar geleden om economische kwesties draaide, terwijl het nu gaat om identiteit, waardigheid en welzijn. We bekijken dezelfde onderwerpen door een compleet andere bril.

Je ziet het aan CETA, het handelsakkoord met Canada. En ook aan de oeverloze Europese discussie over zomertijd en wintertijd. Economie is uit, welzijn is in.

Vroeger sprongen Europese landen van de ene tijdzone naar de andere, en van zomer- naar wintertijd. Toen kwam de interne markt. Landen wilden meer economische groei, en dus meer handel. Zonder enig probleem besloten ze eind jaren zeventig om zoveel mogelijk dezelfde tijd aan te houden. Om het nóg beter te maken, besloten ze in 1996 om zomer- en wintertijd te gaan hanteren en de klok tweemaal per jaar te verzetten. Niet-EU-landen als Zwitserland en Noorwegen volgden die regeling ook. Economische overwegingen prevaleerden toen.

Maar tegenwoordig toetsen we alles op soevereiniteit en draagvlak. Zelfs de Duitsers begonnen afgelopen jaren te morren. Was het geen aanslag op je bioritme, om de klok steeds te verzetten? En waarom beslisten ongekozen ambtenaren in Brussel hierover, terwijl in sommige landen de zon eerder opkomt dan in andere? Over het economische argument sprak niemand meer. Laat staan over het feit dat de lidstaten dit systeem zelf hadden ingesteld en de Commissie het alleen maar coördineerde.

Omdat burgers erom vroegen en ministers er in Brussel over begonnen, hield Commissievoorzitter Jean-Claude Juncker in 2018 een volkspeiling. Dat is veel Europeanen totaal ontgaan. Vooral Duitsers hebben de vragenlijst ingevuld. Uitslag: 84 procent wil de klok niet meer verzetten. En de meesten willen permanent zomertijd. Juncker concludeerde dat „niemand applaudisseert als een Europese wet voorschrijft dat Europeanen de klok tweemaal per jaar moeten verzetten. Laat de lidstaten voortaan maar zelf beslissen of hun burgers in zomer- of wintertijd leven.”

Het Europese Parlement stemde hier in maart 2019 mee in. Het oude systeem ging verdwijnen, op één voorwaarde: dat de lidstaten eerst afspraken of ze voortaan zomer- of wintertijd gingen aanhouden. Anders werd het in Europa, dat al drie tijdzones heeft, een rommeltje.

Dit is nu bijna een jaar geleden. En de boel zit vast. Muurvast.

Minister Ollongren schreef de Kamer dat ze liefst wintertijd heeft en Greenwich Mean Time. En dat ze Duitsland wil volgen. Maar Duitsland prefereert… zomertijd. Frankrijk ook. Portugal en Griekenland willen het oude systeem handhaven. Kortom, iedereen wil wat anders en iedereen wil „in overleg” met buurlanden beslissen. Het Roemeense EU-voorzitterschap beet zijn tanden erop stuk. Het Finse voorzitterschap kreeg er geen beweging in. Het Kroatische voorzitterschap, dat in januari begon, heeft het niet eens meer op de agenda gezet.

Het laatste nieuws is dat de lidstaten willen dat de Commissie eerst een „impact assessment” maakt. Maar er zijn al tientallen rapporten geschreven, door Commissie, Parlement en anderen: over de impact op de nachtrust, op het humeur (uitgesplitst naar mannen en vrouwen), op de transportsector, de dienstensector, energieverbruik, schoolprestaties en wat niet al.

In juli wordt Duitsland EU-voorzitter. Wie weet probeert die het nog eens. Maar Duitsland kan anderen zijn mening niet opleggen. Velen beginnen dus een donkerbruin vermoeden te krijgen dat dit een typisch geval gaat worden van een bevoegdheid die Brussel aan de lidstaten teruggeeft – en weer terugkrijgt. Want als lidstaten niet kunnen kiezen of ze zomertijd of wintertijd willen, blijft de oude regeling, tweemaal per jaar de klok verzetten, automatisch van kracht. Zonde van al die rapporten, vergaderingen en dromen over soevereiniteit. Maar voor de economie is het ongetwijfeld nog altijd beter.

Caroline de Gruyter schrijft wekelijks over politiek en Europa.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.