Opinie

Onder vijanden

Tommy Wieringa

Als je, zoals ik, wel eens een kanttekening plaatst bij de dwaalleer van het stabiele genie Baudet, ontmoet je flink wat weerstand. Die neemt meestal de vorm aan van bittere vijandschap. Een vuile klerelijer ben je, kortom, met wiens boeken ze hun reet nog niet willen afvegen. Na mijn stukje van vorige week schreef Leny B.: „Uw ranzige haatcolumn heeft mij ertoe gebracht al uw boeken, in mijn bezit, te verscheuren en weg te gooien. Het werd onverdraaglijk ze nog in m’n huis te zien staan.” Reageert mevrouw B. zich nog af op mijn boeken, anderen zouden dat het liefst doen op mij. Iemand met het pseudoniem Jack Erazor Bonenstaak schreef me „zullen wij anders een volkertje spellen op jou homo” en Martha P. stelde me een al wat explicietere gewelddaad in het vooruitzicht: „Ik ben misschien wel jou volkert”. (Laten we de spelfouten toeschrijven aan de haast waarmee de post de wereld in moest.)

Ik begreep niet waarom de Facebookberichten naar Volkert van der Graaf verwezen, tot mijn echtgenote me wees op een recensie van mijn column op De Dagelijkse Standaard, onder de kop: „Tommy Wieringa hoopt dat ‘racistische en boosaardige’ Thierry Baudet tegen een Volkert van der Graaf oploopt.”

Ik herlas mijn woorden maar vond daarin niets van die strekking. Dat vonden ze bij De Dagelijkse Standaard blijkbaar ook, want een paar uur later was de kop veranderd in de vraag of ik misschien hóópte dat Baudet tegen een Van der Graaf zou oplopen. Of het het geweten of de bedrijfsjurist was die tussenbeide kwam zullen we nooit weten, hoe dan ook waren de honden toen al los. Scheldwoorden en doodswensen waren mijn deel; woedende vonkjes in de oneindige duisternis van het web.

Ik was nieuwsgierig naar de aard van de vijandschap tussen de afzenders en mij. Was de vijandschap reëel en wilden ze me inderdaad het liefst doden, of moest ze lichter worden opgevat, zoals de voorbijgaande vijandschap van automobilisten? Over de maatschappelijke versplintering, de kloof tussen burgers onderling en andere kwalen van deze tijd kun je veel lezen en tot een vorm van begrip komen, maar met mijn eigen zogenaamde vijanden sprak ik nog nooit. We hebben weinig tot niets met elkaar te maken. Ieder opereert vanuit zijn eigen getto en het contact bestaat enkel uit op elkaar botsende woorden. In dit besef stuurde ik Leny B., Martha P. en Jack Erazor Bonenstaak een vriendschapsverzoek.

In mijn rugbyteam zitten een paar mannen met wie ik min of meer dezelfde politiek-maatschappelijke verschillen van inzicht heb, zonder dat ze tot vijandschap leiden. Integendeel. We praten erover en lachen erom, en op zondag streven we in hetzelfde team hetzelfde doel na. In Rutger Bregmans De meeste mensen deugen vond ik het verbijsterende aantal van 515 sociaal-wetenschappelijke studies uit 38 landen die bewijzen dat eenvoudig intermenselijk contact sterk bijdraagt aan begrip tussen verschillende bevolkingsgroepen – graag voeg ik daar mijn eigen kleine veldstudie aan toe.

In zijn recent verschenen essay Mens/onmens komt Bas Heijne tot een soortgelijke conclusie: „Wanneer wij ons niet inspannen ons daadwerkelijk in andere ervaringen dan die van onszelf te verplaatsen, ons daadwerkelijk in gedachtewerelden proberen in te leven die niet de onze zijn, als we niet bereid zijn tegen ons eigenbelang in te denken, zullen wij uiteindelijk zelf minder mens zijn. Onze eigen levens zullen dan even comfortabel als nietszeggend zijn.”

Ik vermoed dat Leny B. mijn romans inderdaad vernietigd heeft, maar ik geloof niet dat Martha P. en Jack Bonenstaak mij echt dood willen; ze beschouwen me vermoedelijk niet zozeer als een mens van vlees en bloed maar als een positie, en posities zijn vogelvrij. Als ze mijn vriendschapsverzoek accepteren zal ik vragen om een ontmoeting, en daarvan, als ik het overleef, op deze plaats verslag doen.

Tommy Wieringa schrijft elke week een column op deze plaats.