Opinie

In de versplinterende wereld is CETA meer dan alleen een handelsverdrag

EU en canada

Commentaar

Hangen en wurgen. Zo mag de ratificatie van het CETA-handelsverdrag tussen de Europese Unie en Canada in het Nederlandse parlement gerust worden omschreven. Het debat in de Tweede Kamer resulteerde deze week in een glimpje hoop voor de coalitie, nu de ChristenUnie aan boord lijkt te blijven en er dus een meerderheid is voor de stemming die gepland staat voor komende dinsdag. Maar die hoop geldt zeker nog niet de Eerste Kamer, die daarna komt – hoewel nog niet bekend is wanneer precies.

Dat het CETA-verdrag de gemoederen zo hoog op laat lopen is een teken des tijds. Het afbreken van handelsbarrières is een proces dat lastiger wordt naarmate het verder vordert. Steeds gevoeliger onderwerpen komen aan de orde, steeds fragielere bedrijfstakken staan open voor internationale concurrentie. Dat voedselveiligheid en landbouw belangrijke onderwerpen zijn geworden is geen toeval. Dat geldt ook voor de zorg om nationale tradities in een geglobaliseerde cultuur.

Nu stokt die globalisering, en is in sommige opzichten al aan het afnemen. Daar is een aantal redenen voor: de verschillen in arbeidskosten tussen China en het Westen bijvoorbeeld, nemen af. Robotisering maakt produceren dichter bij huis rendabeler. Klimaatdoelen en arbeidsvoorwaarden spelen voor de consumenten en beleggers een steeds grotere rol, en bedrijven beginnen daar naar te handelen. Het gesleep met producten en halffabrikaten van landen met lage milieu- en arbeidsstandaarden naar het Westen is niet zo vanzelfsprekend meer.

Als laatste is er de gure geopolitieke wind die door de wereld waait. De toenemende rivaliteit tussen de Verenigde Staten en China zorgt voor handelsconflicten én grotere zorgen om de nationale veiligheid. De wereldhandelsorganisatie WTO is al vrijwel vleugellam.

In de open samenleving die de wereldgemeenschap beloofde te worden, worden de grenzen dus alweer getrokken. Het Covid-19 virus, dat nu zorgt voor teruglopende internationale commerciële activiteit, is hooguit een katalysator van de deglobalisering. Want die trend is al veel langer aan de gang.

Voor Nederland, een buitengewoon open economie met een forse landbouwexport, is een open internationale economie van groot belang. De bezwaren tegen CETA zijn, grotendeels, tweeledig. Als eerste is er de zorg om de voedselveiligheid, met name over vleesproducten die uit Canada komen. Het lijkt er niet op dat de critici tevreden kunnen worden gesteld, ook al zijn er extra garanties om de komst van ‘hormoonvlees’ te verhinderen. Daarnaast zijn er bezwaren tegen de beroepsprocedure voor bedrijven die denken het slachtoffer te zijn van bestuurlijke willekeur bij de overheid van de verdragspartner. De Europese Commissie, als onderhandelaar van CETA, heeft hier al veranderingen in aangebracht.

Beter zou het zijn geweest als dit mechanisme van geschillenbeslechting uit het CETA-verdrag zou zijn gehaald. Canada en de EU zijn geen bananenrepublieken met een wankele rechtsstaat. De gang naar de nationale rechter zou hier voor een buitenlands bedrijf afdoende moeten zijn. In het onlangs afgesloten handelsverdrag met Japan is deze clausule dan ook losgekoppeld, en wordt apart overlegd. Hetgeen overigens de ratificatieprocedure in de EU een stuk makkelijker heeft gemaakt: juist door het ontbreken van geschillenbeslechting heeft het verdrag een dusdanig karakter dat nationale parlementen het niet hoeven te ratificeren – enkel het Europees Parlement.

Het fundamenteel veranderen van het CETA-verdrag lijkt evenwel weinig zin te hebben. Naast de onderlinge handel met Canada die het stimuleert, gaan er ook politieke signalen van uit. De Europese Unie kan er mee uitstralen zelf de hoeder te willen zijn van het internationale handelssysteem, dat noodzakelijkerwijs een bilateraler karakter zal gaan krijgen.

Landen als Canada en blokken als de EU kunnen tonen dat er een alternatief is voor het groeiende cynisme van de heersende en aspirerende wereldmachten. Dat er deelnemers zijn aan de wereldgemeenschap die hechten aan vreedzame internationale samenwerking, en geloven dat iedereen in gezamenlijkheid kan floreren. In die zin is CETA meer dan een verdrag. Het is een symbool van een internationale geest die steeds minder vanzelfsprekend wordt. Daar zou iedereen zich achter mogen scharen.