Foto Lars van den Brink

Interview

‘Vertel mij eens hoe je liefde definieert’

Geloof Zuster Monica (59) trouwde jong met een man die veel ouder was. Na zijn dood werd ze op haar vijfenveertigste non. „Het voelde als verliefdheid, maar dan zonder lijf.”

Een jonge vrouw nog, sober gekleed, bloemen in haar handen. Naast haar een man die haar grootvader had kunnen zijn, maar hij is de bruidegom. De trouwfoto van zuster Monica, sinds haar vijfenveertigste Kanunnikes van het Heilig Graf in de voormalige Priorij Emmaus in Maarssen, staat bij die van haar ouders in haar boekenkast. Haar moeder is in het wit, haar vader in het zwart, hun blik is ernstig. „Ze kenden elkaar van de Nederlandse Reisvereniging voor Katholieken”, zegt zuster Monica. „Ze trouwden laat en voor beiden was het echt de laatste kans.”

Monica’s moeder was tot haar huwelijk directiesecretaresse geweest op het ministerie van Landbouw. Monica’s vader was boekhouder bij de ANKO, de Algemene Nederlandse Kappers Organisatie. Hij had zich opgewerkt tot afdelingschef. Hij trouwde omdat hij een degelijke katholiek was en niet, denkt zuster Monica, omdat hij het per se wilde. Hij was 39 toen Monica geboren werd, haar moeder 37. Ze betwijfelt of ze wel op haar hadden zitten wachten.

Rivierenbuurt, Amsterdam. De kerk waar ze als meisje naartoe ging, de Thomas van Aquino in de Rijnstraat, is afgebroken. Het bijbehorende klooster is ook weg. De middelbare school waar ze op zat, Fons Vitae, profileert zich niet meer als katholiek. „Wij kregen in de jaren zeventig al geen godsdienstles meer”, zegt zuster Monica. „Wij kregen Bijbelkennis, waar ik trouwens nog steeds veel aan heb. Neem Psalm 90, in de vertaling van Huub Oosterhuis. Zeventig jaren zijn onze dagen, als wij sterk zijn tachtig. Het meest is zwoegen en pijn en plotseling vliegen wij heen. Wat is er veranderd? Of neem het verhaal van Abraham, die door God gevraagd wordt om alles wat hem dierbaar is achter zich te laten en weg te gaan uit zijn cocon, zijn comfortzone. Hoe vaak maken we dat zelf niet mee?”

Ze was geen gelukkige puber. Migraine, hormonen, spanningen thuis. Haar ouders waren altijd aan het werk, haar moeder in het parochiebestuur en bij de Kinderpostzegelactie. Ze hadden weinig aandacht voor haar. Op haar vijftiende liep ze tegen haar latere man aan, bij de tennisclub. Hij was coach van het jeugdteam. En ja, hij luisterde wel naar haar. Hij gaf duiding aan wat ze voelde en ervoer. Hij begreep wie ze was. „Mensen krijgen daar rare ideeën over, maar we hebben met alles gewacht tot ik volwassen was. Het was een relatie op zielsniveau, het fysieke kwam pas later.” Ze had, zegt ze, tot haar twintigste een vriendje van haar eigen leeftijd.

Haar latere man was getrouwd, maar zijn vrouw was ziek en het laatste jaar voor haar dood zou Monique, zoals zuster Monica toen nog genoemd werd, op zaterdag komen helpen in de huishouding. En nee, niemand zag het zitten toen Monique op haar eenentwintigste bij hem introk – haar ouders niet en zijn kinderen niet, die ouder waren dan zij en zelf al kinderen hadden. „Het heeft de nodige tijd gekost voordat het goed kwam met de familie.”

Ze had geen kinderwens. Ze werd fysiotherapeut en werkte achttien jaar in een revalidatiecentrum. Op zondag ging ze met haar man naar de Krijtberg aan het Singel (jezuïeten), of ook wel naar de Onze Lieve Vrouwekerk aan de Keizersgracht (Opus Dei). Conservatiever dan ze van huis uit gewend was, maar dat vond ze juist fijn. Wijwater, wierook, de prachtige vieringen. De structuur van de missen, de sacraliteit die eruit opsteeg. Toen werd haar man ziek. Of nee, eerst werd haar moeder ziek, begin jaren negentig, Monica was in de dertig. Darmkanker. Daarna werd haar vader ziek, parkinson, herseninfarcten. Daarna werd haar moeder weer ziek, deze keer was het tongkanker, en ondertussen begon Monica’s man te dementeren. „Met zo’n groot leeftijdsverschil weet je dat iemand wat kan gaan mankeren en eerder overlijdt. Maar met die mogelijkheid had ik geen rekening gehouden. Ik had eerder aan een beroerte gedacht.”

Hij eindigde geheel hulpbehoevend en Monica bleef tot zijn laatste ademtocht voor hem zorgen, thuis, want ze hield van hem. Hij stierf in 2001. Haar moeder was in 1999 gestorven, haar vader in 1997. „Wat ik ervan geleerd heb”, zegt ze, „is dat dingen die moeilijk zijn, of lijken, toch opgelost kunnen worden. Ik heb het in mijn jeugd niet gemakkelijk gehad en als je jong bent, verwijt je dat je ouders. Later denk je: het is gegaan zoals het is gegaan en de zorg voor hen heeft me ook veel goeds gebracht.” Wat dan? „Loutering. Een moeilijk begrip in een tijd waarin alles mooi en leuk en gemakkelijk moet zijn. En als het dan een keer niet mooi of leuk of gemakkelijk is, weten we niet hoe we ermee om moeten gaan. Ik heb geleerd om los te laten en met de genade mee te werken. En om dienstbaar te zijn. Met mijn moeder ben ik in haar laatste jaren nog naar allerlei plekken gegaan waar ze graag naartoe ging. En de laatste jaren van mijn man waren ook” – ze zoekt even naar het juiste woord – „heel rijk. De contacten met de wijkverpleging, de gesprekken die je met elkaar hebt. Twee kleinzoons waren er vaak om te helpen, ze gingen fantastisch met hun opa om. Zij namen hun vrienden mee en soms zat het hele huis vol jonge mensen.”

Na haar mans dood, ze was 41, werd ze parochiesecretaris bij de Krijtberg en later ook parochiecoördinator voor de Amsterdamse binnenstad. Onder leiding van een pater jezuïet – „hij is helaas vorig jaar overleden” – deed ze de geestelijke oefeningen van Ignatius van Loyola, een reeks gebeden en meditaties uit 1548 die iemand „voor God plaatsen” en over alle aspecten van het leven laat nadenken. Ze ging theologie studeren aan de Katholieke Theologische Universiteit Utrecht. Korte tijd had ze een nieuwe relatie, maar het liep op niets uit. „Het was wat Ignatius een heilzame zonde noemt. Je doet iets verkeerd zodat je daarna weet dat het anders moet.”

In juli 2004 logeerde ze met een vriendin in Priorij Emmaus in Maarssen, die toen nog bestond. Dat deed ze wel vaker, op retraite in een klooster, maar deze keer was het achteraf gezien anders. Een van de zusters zei tegen haar dat God het enige doel in je leven moest zijn, wat ze op dat moment nogal overdreven vond. „Ik had een mooie vijfkamerflat aan de Rooseveltlaan met een Ford Scorpio voor de deur, interessant werk, een goed inkomen en twee poezen waar ik van hield. Woensdagmiddag was ik weer thuis, ik had mijn spullen uitgepakt en ik zat met een glas port op de bank. Ik dacht alleen maar: ik wil terug.”

Foto Lars van den Brink

Het voelde als verliefdheid, maar dan zonder lijf, zegt ze. „In de basis had ik hetzelfde gevoel dat ik bij mijn man had gehad: rust. Augustinus” – de kerkvader (354 tot 430) – „zegt dat meesterlijk in zijn Confessiones, waarin hij zijn bekeringsproces beschrijft: mijn hart is onrustig, tot het rust vindt in God. Kijk, in de Eerste Brief van Johannes staat dat God liefde is, maar Augustinus draait het om: liefde is God. Daar zit veel in, hè. Het gaat niet om erotische liefde, maar de diepe liefde voor je medemens, omdat hij of zij net als jij mens is. Ik wil dat jij bent – zo omschrijft Augustinus liefde, en in die liefde herkennen we God.” Ze pauzeert even. „Al heeft het woord God”, zegt ze dan, „moeilijke connotaties gekregen, het is een containerbegrip geworden. Mensen zeggen: God bestaat niet, want je kunt Hem niet definiëren. Maar we geloven wel in de liefde en vertel mij eens hoe je liefde moet definiëren.”

In januari 2006 ging ze in het klooster in Maarssen wonen, waar toen nog veertien andere zusters woonden, allemaal ouder dan zij. Ze was een jaar postulant en twee jaar novice. Na drie jaar werd ze tijdelijk geprofest (professen is iemand de kloostergeloften laten afleggen) en op 6 januari 2012 voor eeuwig. Vijf jaar later waren bijna alle andere zusters gestorven en moest het klooster worden gesloten.

Nu woont zuster Monica in Breukelen, in een huis van de parochie St. Jan de Doper waar ze voor werkt. Eucharistievieringen doet ze niet, dat is voorbehouden aan priesters. Wel gaat ze voor in Woord- en Communievieringen. Van de vijftienduizend parochieleden doen er zondags ongeveer negenhonderd regelmatig aan de vieringen mee, verspreid over negen kerken in de wijde omtrek. Ze vindt het jammer, maar ze is ook laconiek. „We staren ons blind op het Rijke Roomse Leven van voor de jaren zestig, maar als je verder teruggaat in de geschiedenis, naar de Middeleeuwen, en je kijkt naar schilderijen van kerken uit die tijd, dan zie je geen kip. Of nou ja, je ziet alléén kippen die rondscharrelen, en een haan, en voorin een paar priesters die dingen staan te doen. Je kunt je afvragen of al die mensen in de hoogtijdagen naar de mis gingen omdat ze het wilden of omdat het moest.”

Lees ook het interview met Jan Heuft, hij is al vijftig jaar missionaris in Algerije: ‘Of iemand moslim of christen is, maakt mij niet uit’

Zuster Monica begint haar dagen met twintig minuten bezinning, in het kapelletje dat ze boven in haar huis heeft ingericht. Ze bidt niet alle getijden meer, maar ze draagt ze in haar gedachten wel altijd met zich mee. Eens per maand ontvangt ze een weekend vrouwen die gelieerd waren aan Priorij Emmaus. Ze bidden en praten, ze reflecteren en eten met elkaar. „Onze orde is rond 1099 ontstaan”, zegt ze. „In de loop van de eeuwen heeft ze vele stormen doorstaan, in de tijd van de Franse Revolutie was ze bijna verdwenen. En toch is ze zo vaak weer tot leven gekomen dat ik denk: als God het wil, zal er wel weer wat nieuws komen.”