Opinie

De Nederlandse schrijver die doorbreekt in Rusland

Michel Krielaars

Op zoek naar de nieuwe essaybundel Letter in de sneeuw van de Russische schrijver Michail Sjisjkin viel in de Moskouse boekhandel Moskva mijn oog op een affiche met daarop het hoofd van de Nederlander Sjeng Scheijen. Op een tafeltje ervoor lagen zo’n vijftig exemplaren van de Russische vertaling van De avant-gardisten, zijn geschiedenis van de lotgevallen van kunstenaars als Kandinsky, Malevitsj, Tatlin, El Lissitsky en Chagall. Direct na de revolutie van 1917 werden zij door de bolsjewieken benoemd tot hoge ambtenaren van het Volkscommissariaat van Verlichting om tien jaar later te zuchten onder de Stalinterreur.

In Moskva staan de exemplaren van Scheijens boek opgesteld alsof het om het Boek van de Maand gaat. Het zou me niet verbazen. De avant-gardisten is een baanbrekende, smakelijk vertelde geschiedenis over een groep belangrijke kunstenaars, gebaseerd op tal van nieuwe bronnen. Aan de hand van de vertaling, waarvan de oplage 5.000 exemplaren bedraagt, kunnen Russen nu eindelijk over hun lotgevallen lezen.

Ineens besefte ik dat de beste geschiedenisboeken over Rusland bijna altijd door westerlingen zijn geschreven. Denk aan de Duitse historicus Karl Schlögel, die in 2018 nog het geniale Das sowjetische Jahrhundert. Archäologie einer untergegangenen Welt publiceerde, of aan zijn Nederlandse collega Marc Jansen, die in De toekomst die nooit kwam vertelt op welke historische feiten de Russische staat zijn identiteit baseert, waarbij voor een massamoordenaar als Stalin volop plaats is, en dan vooral als de man die Hitler versloeg.

Het succes van de Russische editie van De avant-gardisten laat zien hoe belangrijk vertalingen kunnen zijn. Met name in een land waar weliswaar veel gelezen wordt, maar waar het historisch besef bij grote delen van de bevolking nogal mager is, omdat de staat er alles aan doet om de geschiedenis te manipuleren.

Terwijl ik in Moskva de vertalingen van vele andere hedendaagse westerse schrijvers zag liggen, besefte ik ineens hoe gevaarlijk de slechte staat van zowel de leesvaardigheid als de leesmotivatie in Nederland is voor óns historisch bewustzijn. Voeg daarbij het nieuws van deze week dat gemeentes steeds minder geld uitgeven aan bibliotheekvoorzieningen en de catastrofe is compleet.

Doordat Nederlanders minder lezen, wordt er minder literaire fictie verkocht en brengen uitgevers minder vertaalde fictie uit. Een goed voorbeeld daarvan is de Duitse schrijver Eugen Ruge, wiens eind vorig jaar verschenen roman Metropol zich tijdens de Stalinterreur afspeelt. Het is een prachtig verhaal, dat het particuliere drama overstijgt en veel zegt over het menselijk gedrag in een dictatuur.

Maar toen ik Ruge’s Nederlandse uitgever vroeg wanneer de vertaling van dat boek in de winkel lag, antwoordde hij dat die er helemaal niet komt. De reden daarvoor was dat hij van de vertaling van Ruge’s bekroonde roman In Zeiten des abnehmenden Lichts slechts 371 exemplaren had verkocht.

Zijn woorden deden me het ergste vrezen voor de toekomst van vertalingen van fictie uit andere talen dan het Engels. Geen Ruge betekent namelijk ook geen Sjisjkin, Sebald of Sarraute, geen Mysliwski of Magris, geen Marías en geen Vargas Llosa. Reden te meer voor het weer tot leven wekken van een leesbevorderend televisieprogramma als VPRO Boeken.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.