Twee Peruanen voor negen ton: de opmars van FC Emmen

Eredivisie FC Emmen werd ooit gezien als het lelijke eendje van het betaald voetbal. Inmiddels telt de selectie spelers uit veertien landen, onder wie twee dure Peruanen.

De Peruanen Miguel Araujo (rechts) en Sergio Peña van FC Emmen.
De Peruanen Miguel Araujo (rechts) en Sergio Peña van FC Emmen.

Zowat iedere nieuwe voetballer van FC Emmen eet vroeg of laat biefstuk met Freddy Donker. De Drent waakt al vijftien jaar over hun welzijn en wanneer hij spelers verwelkomt, kan hij het vaak niet laten om te zeggen dat ze ook in Drenthe naar Amsterdam kunnen gaan. Nieuw-Amsterdam, welteverstaan, het door hoofdstedelingen gestichte dorp onder Emmen, de plek waar ze met eigen ogen kunnen zien wat Vincent van Gogh schilderde toen hij rond 1883 in Drenthe verbleef.

Als begeleider en klankbord zag Donker alle soorten voetballers voorbijkomen. Teruggetrokken individuen die het wel geloofden met zijn historische bespiegelingen over Drenthe; eenzame twintigers die naast het veld verteerden door heimwee; sociale spitsen met wie hij de restaurants van de stad verkende en nog veel meer.

Na de promotie in 2018 kwam er een nieuw type speler bij: profs die al iets bereikt hadden, met een hogere levensstandaard. „In de eerste divisie zocht ik huurappartementen van 500 euro. Nu voor het dubbele. Ze willen een gemeubileerd huis met luxe uitstraling en een maandelijks opzegbare huur. Een schaarse combi. En of ik ook even internet kan regelen. Een speler die van een Spaanse club kwam, was gewend dat iemand anders zijn boodschappen deed. Dat doe ik dus niet.”

Die speler is Sergio Peña, een 24-jarige middenvelder uit Peru die van zijn zaakwaarnemer te horen kreeg dat zijn toekomst in Emmen lag. Peña nam dat advies ter harte, schoof andere aanbiedingen terzijde en werd zomer 2019 de eerste Zuid-Amerikaan in het roodwit van de enige profclub van Drenthe.

Dat niet alleen. Direct was Peña ook de best betaalde voetballer die Emmen ooit had gehad. Hetzelfde geldt voor zijn landgenoot Miquel Araujo, die later arriveerde. Samen verdienen ze bijna negen ton, een kwart van het totale spelersbudget. Bijzonder, oordeelden volgers van de club. Hoe kon de club met de vijftiende begroting van de eredivisie zich twee spelers veroorloven uit een segment dat door strikte regelgeving amper te betalen is, de niet-Europeanen?

Voorzitter Ronald Lubbers heeft er twee verklaringen voor: een simpele en een ingewikkelde. Simpel in de zin dat Emmen investeert om te kunnen groeien. Ingewikkeld omdat Emmen het zo heeft geregeld dat het niet helemaal zelf voor die negen ton opdraait. „Vier ton salaris zal hier niet snel een gewoonte worden.”

Eigen kweek eerst

Spelers als Peña en Araujo waren tot in de jaren negentig haalbaarder dan nu. Elke club kon hopen op de nieuwe Romário. Tot in 1995 de Wet arbeid vreemdelingen van kracht ging, een maatregel waardoor personen van buiten de EU over een werkvergunning moesten beschikken om hier te werken, ter bescherming van Nederlandse werknemers. In het voetbal gold dit ook. Vanaf dat moment moesten clubs anderhalf keer het gemiddelde eredivisiesalaris betalen voor een speler uit pakweg Brazilië of Nigeria. Door dit inkomenscriterium zou blijken dat zij deze buitenlander meer geschikt achten dan een speler van eigen kweek.

De niet-EU-voetballers werden zo het exotische fruit op de spelersmarkt: duur door regelgeving, aantrekkelijk door het gevoel dat wat van ver komt wel bijzonder moet zijn. Concreet betekent dit dat FC Emmen dit seizoen minstens 436.202 euro bruto per persoon moet uitkeren aan zijn Peruanen, een veelvoud van wat de club normaal betaalt.

Dit jaar verstrekte de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) 26 spelers een werkvergunning, aldus directeur Serge Rossmeisl van Federatie Betaald Voetbal, omgerekend 5,5 procent van alle 472 contractspelers op het hoogste niveau. Circa de helft van die 26 speelt bij Feyenoord, Ajax en PSV. In het rechterrijtje daarentegen zijn amper clubs die zich non-EU-spelers kunnen veroorloven.

„Af en toe komt de wens voorbij om de regel af te schaffen, maar het is geen hot topic”, aldus Rossmeisl. „In landen als België zijn de regels weliswaar soepeler, maar zijn er ook ongewenste situaties ontstaan, zoals een club die volledig uit niet-EU-spelers bestaat. De Belgische Pro League is al eens met ons in gesprek gegaan, omdat ze daar graag onze regels zouden willen implementeren, ter bescherming van eigen jeugd.”

Er zijn clubs met bescheiden budgetten die de drempel voor non-EU-spelers via omwegen proberen te slechten. ADO Den Haag liet ooit de Ivoriaanse speler Wilfried Kanon een deel van zijn salaris terugstorten in de vorm van een zogenaamde vergoeding voor het feit dat de club hem trainde en dus beter maakte; deze constructie is later afgekeurd door spelersvakbond VVCS, omdat het een bewuste manier was om minder loon te betalen.

FC Groningen had het beter geregeld toen de club in 2006 bij particuliere geldschieters 1,5 miljoen euro ophaalde om Luis Suárez uit Uruguay te kunnen halen. Destijds veel geld, maar de club verkocht hem een jaar later voor acht miljoen euro aan Ajax. Geld waarmee de club vervolgens kon blijven investeren– het vliegwieleffect.

Sc Heerenveen huurt dit seizoen Doan van Hau van FC Hanoi. De Vietnamees is een veelverdiener, maar de club hoopt zijn salaris via commerciële deals terug te verdienen. Er werden al tv-rechten in Vietnam verkocht en de club vond er een sponsor: een producent in fietsen van bamboe. „De fietsfabrikant zal de selectie onder andere voorzien van tweewielers waarop ze naar het trainingscomplex kunnen fietsen”, meldde sc Heerenveen na de deal.

Miguel Araujo (links) en Sergio Peña. Foto: Kees van de Veen

Kapitaal op het veld

In Drenthe zien ze Sergio Peña niet als een marketingtool. Toen Renato Tapia in september met Feyenoord naar Emmen toog, was dat weliswaar een aantrekkelijk onderonsje tussen Peruaanse internationals, maar als er die middag al mensen vanuit de hoofdstad Lima meekeken – zo wisten ze in Emmen – zou niet opeens de kassa gaan rinkelen in Stadion De Oude Meerdijk.

In zekere zin is het toeval dat zijn club twee Zuid-Amerikanen heeft gehaald, verklaart voorzitter Lubbers dinsdagavond na de inhaalwedstrijd tegen FC Twente. De twee spelers kwamen via via op zijn pad en pasten in de nieuwe koers die hij met zijn club wilde varen. „Voor het eerst zijn we echt gaan investeren in spelers.”

Voorheen was dat uitgesloten. Met het ternauwernood afgewende bankroet in 2012 nog vers in het geheugen, kozen Lubbers en zijn medebestuurders liever voor eigen jeugd, huurlingen, routiniers of spelers met een krasje die op zoek waren naar een tweede kans. Betaald voetbal bedrijven is in een dunbevolkte krimpregio al duur genoeg.

Alles veranderde na de promotie in 2018. „Lelijk eendje wordt mooie zwaan”, luidt de kop van een ingelijste editie van het Dagblad van het Noorden in het clubmuseum. FC Emmen voor het eerst in de eredivisie: dat was een mirakel. Niettemin handhaafde de club zich in haar eerste seizoen. Wel wist Lubbers dat hij daarna iets moest bedenken om ook de komende jaren op het hoogste niveau te spelen. In het stadion heeft hij weinig mogelijkheden; FC Emmen heeft geen skyboxen en is er niet de club naar om seizoenkaarthouders fors meer te laten betalen in de eredivisie.

Zo besloot hij dat FC Emmen meer in spelers moest investeren. De selectie telt inmiddels veertien nationaliteiten en is mede samengesteld met de hulp van een drietal bemiddelaars met goede connecties op de Balkan en in Zuid-Amerika. Lubbers: „Het is logisch dat mensen zich afvragen hoe wij die jongens uit Peru betalen, maar wat wordt vergeten is dat wij behalve de spelersgroep weinig personeelskosten hebben.”

Lubbers, eigenaar van het gelijknamige transportbedrijf dat achter het doel adverteert, is naast voorzitter ook al tijden onbezoldigd interim-directeur. „Ik deel hier met twee anderen een kantoor als ik hier ben. Als er geen ruimte voor is, heeft het niet veel zin om nog allerlei personeel aan te nemen.”

Het kapitaal van FC Emmen staat daarom op het veld, met de twee Peruanen als topverdieners van het elftal. „Je moet het zo zien dat wij per saldo niet het volle pond voor hun salaris betalen. Hun vorige clubs vergoeden ook een deel, in ruil voor een deel van de toekomstige transfersom. Ik zie deze spelers als hefboom op weg naar een nieuw stadion.”

Boven FC Twente

Dinsdagavond rekent zijn club in de snijdende wind af met FC Twente, een club die eens alles had wat Emmen ontbeerde: geld, duizenden fans, sportief succes en spelers van naam en faam. En zie nu, Emmen staat twaalfde, Twente – met de zesde begroting van de eredivisie – dertiende. Eindstand: 2-0.

Na afloop meldt Sergio Peña zich tussen de foto’s en zilveren schoenen in het clubmuseum. Glimmende oorbel, tattoo van een leeuwenkop rond zijn vinger. Brengt hij het gif waarvan ze zeggen dat Zuid-Amerikanen het in zich hebben, corazón, voetbal met het hart? „In Zuid-Amerika is kracht inderdaad belangrijker dan hier”, zegt de van Granada overgekomen Peña. „Miquel en ik brengen wel de pit die er bij ons van nature inzit, maar hier willen mensen ook winnen. Zeker bij deze club. Bij Emmen vechten we altijd voor de overwinning.”

Met een biertje in de hand waant ook voorzitter Lubbers zich na afloop een winnaar, al leeft hij niet in de wolken. Succes kan verkeren en hij weet dat er met FC Emmen nog een wereld te winnen is. Laatst deed hij zaken met RSC Anderlecht, het chique bolwerk uit Brussel. „Als het hen uitkomt, hebben ze alle tijd voor je. Maar op andere momenten blijven je appjes en belletjes onbeantwoord.”