Seriemoordenaars in een Deens belastingarchief

Geschiedenis Tussen 1497 en 1857 hief de koning van Denemarken tol op elk schip dat door de Sont voer. Alle 1,8 miljoen douanenotities zijn nu gedigitaliseerd, met hulp van vrijwilligers.

Schilderij van Jan Abrahamsz. van Beerstraten van de Slag om de Sont (circa 1650).
Schilderij van Jan Abrahamsz. van Beerstraten van de Slag om de Sont (circa 1650).

‘Zijn er hier nog serial killers in de zaal?” Het is geen vraag die je vaak hoort op wetenschappelijke conferenties, maar vanochtend gaan op de Campus Fryslân van de Rijksuniversiteit Groningen toch minstens twee dozijn handen trots de lucht in. De spreker, historica Ida Nijenhuis, kijkt tevreden om zich heen: „Dank voor uw inspanningen. Zonder u was dit nooit gelukt!”

Wat is er aan de hand hier in Leeuwarden, in deze zaal vol op het eerste gezicht beschaafde toehoorders? Hebben we te maken met een bijeenkomst van het Goede Mie Genootschap of de Jack the Ripper Society? Nee, gelukkig niet. Vandaag wordt gevierd dat na tien jaar noeste arbeid 1,8 miljoen notities van Deense douanebeambten zijn gedigitaliseerd en ontsloten.

Het gaat om de boekhouding van de belasting die ieder schip moest betalen dat tussen 1497 en 1857 de Sont doorvoer, de zee-engte van enkele kilometers breed tussen Denemarken en Zweden. Wie niet betaalde, werd beschoten. En die seriemoordenaars? Dat zijn de vrijwilligers die een groot deel van dit digitaliseringswerk hebben gedaan: elke vertaalde een ingevoerde notitie was weer een kill, en dat dag na dag, week na week, maand na maand, jaar na jaar. Tot vandaag. Vandaag is het eindelijk klaar.

Unieke bron

De administratie van de tol die de koning van Denemarken hief op elke Sontpassage is een unieke historische bron, zegt Siem van der Woude. Hij is teamleider bij Tresoar, het Frysk Histoarysk en Letterkundich Sintrum in Leeuwarden en een van de initiatiefnemers van het project. „Van ieder schip noteerde de douane in Helsingør wie de schipper was, uit welke thuishaven het schip kwam, uit welke haven hij deze reis vertrokken was, waar de reis heen ging, wat de vracht was en hoeveel die vracht waard was. Al deze gegevens bij elkaar geven een unieke inkijk in de geschiedenis van het gebied rondom de Oostzee. Er bestaat geen enkele andere bron ter wereld die zo volledig en nauwkeurig is en zo’n lange periode beslaat. Historici zijn dan ook bijzonder geïnteresseerd in de Sonttolregisters.”

Zomaar wat speuren in 1,8 miljoen papieren notities is echter onbegonnen werk. Veel onderzoekers deden het daarom met de Tabeller over Skibssart og Varentransport gennem Øresund van de Deense samenstellers N. Bang en K. Korst. In deze achtdelige reeks tabellenboeken uit het begin van de twintigste eeuw is allerlei interessant materiaal te vinden dat aan de archieven is ontleend, maar volledig is het allerminst. Van der Woude: „Nederland – en met name Noord-Nederland – was bijzonder belangrijk binnen de Sonthandel. Die wordt niet voor niks de Moedernegotie genoemd, de handel die aan de basis lag van de welvaart van de Republiek. Daarom wilden wij heel graag de registers volledig ontsluiten voor onderzoekers. Ze waren al eens op microfilm gezet, maar niet verder toegankelijk gemaakt. Dat besloten wij te gaan doen. We kregen daarvoor 2,5 miljoen euro van NWO en aanvullende financiering van een aantal particuliere fondsen.”

Tijdrovend monnikenwerk

Dit geld was bij lange na niet genoeg om zulk tijdrovend monnikenwerk te laten doen door mensen met een vaste aanstelling bij universiteit of museum. Daarom gingen Tresoar en de Rijksuniversiteit Groningen in 2009 een samenwerkingsverband aan met een sociale werkplaats in Nijmegen. Van der Woude: „Niet iedereen daar wilde met zijn handen werken, sommigen hielden meer van puzzelen. Zij kregen een korte cursus in het ontcijferen van handschriften en leerden voldoende Deens om alle woorden in de belastingboekhouding te kunnen begrijpen. Daarna begon het invoeren: van elke doorvaart gingen alle gegevens in een database.”

De arbeid vorderde gestaag, totdat in 2013 de politieke wind uit een andere hoek ging waaien. Van der Woude: „Nederland werd een participatiemaatschappij, en in de praktijk betekende dit dat de sociale werkplaatsen hun mensen elders in de maatschappij moesten onderbrengen. Toen zaten we echt met onze handen in het haar, want het moeilijkste gedeelte van het werk moest nog komen.”

Uiteindelijk werd het project gered door zo’n vijftig vrijwilligers, veelal gepensioneerden. In de afgelopen zes jaar voerden zij de resterende gegevens in. Nog niet alles is helemaal goed verwerkt in de database – dat duurt nog een paar maanden – maar toch vindt op dit symposium al de officiële overdracht van de bestanden plaats aan het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis, de instelling waar Ida Nijenhuis senior-onderzoeker is. Bij het Huygens zijn de middelen en expertise aanwezig om de database lange tijd toegankelijk te houden.

De Sonttolregisters staan al een tijd online op soundtoll.nl, ook toen ze nog niet volledig gedigitaliseerd waren. Historici hebben er dus mee kunnen werken, zegt Jan Willem Veluwenkamp, universitair hoofddocent geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen en samen met Van der Woude animator van het project. „Dat heeft al een aantal interessante publicaties opgeleverd.”

Huiden en lijnzaad

Op de heenreis van west naar oost zat er vooral wijn, textiel, zout, haring, specerijen, suiker en koffie in het ruim. Terug vervoerden de schepen graan, hout, hennep, vlas, huiden, ijzer en lijnzaad. Veluwenkamp: „Omdat in de registers staat genoteerd hoeveel elk schip vervoerde, kunnen we zien hoe het handelsvolume zich in de loop van de tijd ontwikkelde. Interessant is dat pas in de jaren vijftig van de negentiende eeuw de import in het Oostzeegebied voor het eerst groter was dan de export. Dat kwam door de Industriële Revolutie, die producten opleverde die ter plekke niet gemaakt konden worden.”

Dit zijn de grote lijnen, maar de uitgebreide database maakt het mogelijk om in te zoomen op allerlei details. Veluwenkamp laat een grafiek zien uit een artikel van zijn hand. Het heet ‘Baltic Drugs Traffic, 1650-1850. Sound Toll Registers Online as a Source for the Import of Exotic Medicines in the Baltic Sea Area’ en het gaat onder meer over de invoer van sarsaparilla, een gedroogde en vermalen boomwortel – een ingrediënt voor een medicijn tegen syfilis. „Waarschijnlijk ging het meeste naar Sint-Petersburg. Ons onderzoek laat zien dat pas vanaf de tweede helft van de achttiende eeuw dit soort exotische medicijnen in het Oostzeegebied werden ingevoerd.”

Dat is een eeuw later dan Noordwest-Europa. Dat verschil is waarschijnlijk te verklaren, denkt Veluwenkamp, door het feit dat de landen rondom de Oostzee geen koloniën hadden. Er is geen reden om aan te nemen dat de medische professie in dit gebied een eeuw achterliep bij de rest van Europa, zegt hij.

Verbonden met Hindeloopen

Zo’n database als van de Sonttolregisters is bij uitstek geschikt om dit soort ‘harde’ economische geschiedenis mee te bedrijven. De artikelen die Veluwenkamp laat zien, staan vol tabellen en grafieken. De Deense belastingbestanden kunnen echter ook het begin zijn van een zoektocht naar meer persoonlijke verhalen, vooral als ze gecombineerd worden met andere archieven.

Dat laat Hanno Brand zien. Hij is bijzonder hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Zijn onderzoeksveld is de rol van Friesland in de handelsnetwerken van pre-industrieel Europa en vandaag spreekt hij over de schippers van Hindeloopen, die bijna allemaal werkten in de houtimport. „Ze voeren vanuit Amsterdam, maar bleven zich verbonden voelen met Hindeloopen. Aan het eind van hun werkzame leven keerden ze bijna allemaal weer terug. Je ziet een aantal namen in de registers die de tocht door de Sont heel vaak maakten: Kat, Olferts. Dat waren dus de succesvolle families.”

Schilderij van Heerman Witmont van schepen op de Sont. Het kasteel Kronborg, links op de achtergrond, diende als tolkantoor.

Arne Solli, universitair hoofddocent geschiedenis aan de universiteit van Bergen in Noorwegen, duikt met zijn onderzoek nog verder de diepte in. Hij verbindt de macrohistorie van de Sonttolregisters met de microhistorie van één enkele Noorse schippersfamilie. „Aanleiding voor dit onderzoek was een brief die ik vond in de boedel van een koopmansfamilie uit Stavanger.”

Een Nederlandstalige brief

Het ging om een kopie van een uitgaand schrijven, gesigneerd door de vrouw des huizes, Margrete Leigh Smith. De brief was in de lente van 1759 meegegaan aan boord van een schip dat naar Riga voer. Het lukte Solli niet de brief te ontcijferen, omdat hij de taal niet herkende waarin hij geschreven was. Uiteindelijk wees een collega hem erop dat het hier om een Nederlandstalige brief ging. „Dat is toch wel bijzonder. Een Noorse koopvrouw, met een niet heel Noorse achternaam, schrijft een brief aan een handelspartner in de Russische stad Riga, in het Nederlands! Moeten we daaruit concluderen dat Nederlands de lingua franca van de Oostzeehandel was?”

De brief bevat nauwkeurige instructies over hetgeen de kapitein van het schip in Riga moet aanschaffen en meenemen naar Noorwegen – voornamelijk vlas en hennep. De schipper heette Ole Krag. „Met die naam ben ik het Sonttolregister gaan doorzoeken”, zegt Solli. Zo kon ik precies achterhalen hoe lang de reis duurde en of Krag gedaan had wat hem was opgedragen.”

Bijzondere band

Solli besloot de rest van de loopbaan van schipper Krag ook in kaart te brengen met behulp van de door hem betaalde doorvaartbelasting. „Tussen 1742 en 1762 passeerde hij Helsingør tientallen keren, soms wel zes keer in één jaar. De laatste keer ging het om een troepentransport. Vervolgens ben ik in de archieven van de kerk op zoek gegaan naar sporen die Krag daar achterliet. Ik vond er onder meer registraties van de doop van zijn kinderen. Het was interessant om te zien hoe de geboortedata van zijn nageslacht keurig correspondeerden met de periodes dat hij niet op reis was.”

Solli onderzocht ook nog het wel en wee van Krags kinderen. Hij vond daarbij opnieuw interessant bewijs voor het internationale karakter van de Oostzeehandel. „Zoon Isak en dochter Helena leefden in Noorwegen, maar zoon Enok voer voor een Nederlandse eigenaar, Lars woonde in Holland, Ole in Vlaanderen en Mare Maria was getrouwd met een Zeeuw en woonde in Middelburg. De Krags hadden kennelijk een bijzondere band met Nederland.”

Trek in een nieuwe klus

Nu de volledige Sonttolregisters online staan, kan iedereen op zoek naar materiaal om dit soort familieverhalen vorm te geven. Maar wat moeten de seriemoordenaars nu hun werk erop zit? Verschillende aanwezigen gaven aan wel trek te hebben in een nieuwe klus.

Ida Nijenhuis van het Huygens Instituut kon hen gerust stellen. Ze leidt het project REPUBLIC, dat beoogt alle resoluties van de Staten-Generaal uit de periode 1576-1796 in 2024 online te publiceren. „De software wordt steeds beter in het ontcijferen van handschriften, maar we hebben minstens 98 procent nauwkeurigheid nodig, en zover zijn we nog niet. Voorlopig blijven de serial killers nog nodig.”