’s Avonds nam ze nog een lekker borreltje

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden.

Til Ebberink-Vonk (1909 -2020) werd 110: de oudste inwoner van Overijssel en de op één na oudste Nederlander.

Boven: Til Ebberink-Vonk in 1939; Links: met zoon Jan in 2018.
Boven: Til Ebberink-Vonk in 1939; Links: met zoon Jan in 2018. Foto's privéarchief.

Mevrouw hield van uitslapen, wist het personeel van zorgcentrum De Posten in Enschede. Rond half tien werd Til Ebberink-Vonk gewekt met een kopje thee en dagblad Tubantia, dat ze de rest van de dag uitgebreid doornam. Tegen de avond rondde ze de puzzel af. Maaltijden gebruikte mevrouw liever op haar kamer dan in de eetzaal, maar ze deed fanatiek mee aan de wekelijkse fitnessles en aan de bridge op woensdagmiddag. Voor het slapen gaan, vaak pas na middernacht, kreeg ze van de nachtdienst nog een jonge jenever met drie zoute koekjes.

Het personeel van De Posten was gesteld op z’n oudste inwoner, die tot haar 98ste zelfstandig had gewoond en die mensen verraste met haar goede humeur en haar fitheid. Haar wandelingen rond het complex gaf ze pas op toen ze in 2017 haar arm brak en niet meer op een rollator kon steunen. In Enschede was Til Ebberink-Vonk een beetje beroemd: vanaf haar honderdste verjaardag kreeg ze elk jaar de burgemeester op bezoek, ze werd geïnterviewd en kwam op televisie. Toen ze op 19 januari dit jaar overleed was ze 110: de oudste inwoner van Overijssel en de op één na oudste Nederlander.

Zelf deed ze laconiek over haar hoge leeftijd; gevraagd naar het geheim van zo’n lang leven zei ze dat je je vooral niet te veel zorgen moest maken. „Mijn moeder was goed in accepteren”, zegt Jan Ebberink, een van haar zes kinderen. „Ze berustte in wat haar overkwam en verwerkte dingen ook snel. Eén broer en een zus van mij zijn relatief jong ziek geworden en overleden – moeder was dan wel aangedaan, maar niet verslagen.”

Til Vonk werd in 1909 geboren in Zwolle, waar haar ouders confectie- en meubelzaken hadden. Het katholieke gezin met negen kinderen – Til was de tweede dochter – was in goede doen: de familie kon gezamenlijk op vakantie naar Terschelling, uitzonderlijk in die dagen. Op haar zestiende werd Til naar een Engelse kostschool gestuurd, „waarschijnlijk om Engels te leren”, zegt Jan. „Ze heeft ons er nooit het fijne van verteld, maar het moet eenzaam zijn geweest: in de twee jaar dat ze daar zat zijn haar ouders haar niet één keer komen opzoeken. Wel vond ze Engelse vriendinnetjes. Met een van hen heeft ze nog tot in lengte van dagen kerstkaarten uitgewisseld.”

Na thuiskomst trok Til weer bij haar ouders in en hielp hen met administratief werk. Via een zakelijk contact werd ze toen ze eind twintig was gekoppeld aan Harrie Ebberink uit Twente. Na hun huwelijk in 1938 openden Harrie en Til in Enschede een eigen zaak: de Enschedese Bedrijfskleding Onderneming (EBO), met onder meer overalls en witte kleding voor medisch personeel.

Jan en zijn vijf broers en zussen, geboren tussen 1939 en 1951, groeiden boven de winkel op. „Om half elf ging er een belletje en dan kwam vader naar boven voor een kopje koffie”, zegt Jan. „Moeder hielp in de zaak en deed veel verstelwerk. Ze kon goed naaien. Voor het huishouden hadden we een meisje voor dag en nacht in dienst – dat had mijn opa zo bedongen toen hij mijn moeder weggaf. Als gezin uit de hogere middenstand waren er bepaalde codes. Ik mocht niet op voetbal bijvoorbeeld, dat was te volks. Wel op hockey, net als mijn zussen.”

Zijn ouders waren gelukkig samen, denkt Jan – al waren ze er de mensen niet naar om dat erg te laten merken. Elk jaar gingen ze samen op reis naar de Alpen, Spanje, Portugal – buiten de zomervakantie om, want dan was het ‘opruiming’ in de zaak en moest er gewerkt worden. Toch was Harries overlijden in 1981 ‘een zekere bevrijding’ voor Til, zegt Jan: „Mijn vader kreeg Parkinson en werd tenslotte dement – de zorg voor hem werd steeds intensiever. Eenmaal alleen kwam mijn moeder een beetje uit zijn schaduw.”

Het alleen wonen bleek Til Ebberink-Vonk uitstekend af te gaan. Ze raakte meer betrokken bij haar (achter)kleinkinderen en maakte nog een paar verre reizen, naar Egypte en Turkije. Ze volgde de ochtendgymnastiek op tv en maakte elke dag een wandeling. Mentaal bleef ze in vorm dankzij haar lievelingsspel: bridge.

„Ik werd in 2001 aan Til gekoppeld bij bridgeclub De Vijf Azen”, vertelt Laurens van Run. ,,Ze was toen 92, dus ik dacht: we zien wel, maar we hebben nog ruim veertien jaar met veel plezier samen gespeeld. Ze was handig, vlot, geslepen – we hebben een keer de beker gewonnen. Na zo’n lange avond bracht ik haar soms naar huis, en dan zei ze monter dat ze nog een lekker borreltje zou nemen.”