Opinie

Plastic

Marcel van Roosmalen

Niets frustrerender dan de wereld van het buitengebied uitleggen aan de achterblijvers, de mensen die wel op tijd een huis kochten in Amsterdam. Toch zijn de schoolpleinverhalen die zij vertellen anders dan de mijne. Ga op een regenachtige dag naar Big Bazar in een uithoek en het gebrek aan perspectief treft je als een natte dweil in het gezicht. In Wormer staat ook zo’n loods waar China plastic dumpt. De dorpelingen lopen er braaf hun rondjes, niet beseffend dat ze zo de eigen middenstand de afgrond induwen, zelfs de Blokker kon er niet tegenop.

Je ruikt het plastic al bij binnenkomst, ga er fulltime werken en je wordt op den duur vanzelf high. Alle plastic is er goedkoop, behalve de plastic tas om het plastic in te stoppen.

Ik moest er zijn voor nylon vleugels.

Mijn oudste dochter (4) is net als alle anderen ‘hoofdengel’ in de musical, de basisschool had witte kleding en witte vleugels verordonneerd. Ik kwam binnen met twee dochters, ze verdwenen meteen uit beeld. Mijn dochters vinden alles van plastic mooi: plastic dinosaurussen, plastic hobbelpaarden en lolly’s in plastic.

In het gangpad zat een vrouw op een plastic krukje, ze was plastic carnavalsmaskers aan het stapelen.

„Brrrr”, zei ze, „ik heb het koud.”

Ze pulkte met de vingers aan een mouw van de bedrijfskleding. Niet alleen het werk is er niet om over naar huis te schrijven, je wordt er ook nog eens verplicht in een afzichtelijke roze polo gestoken, waarover je niets mag dragen.

„Ik zoek vleugels”, zei ik.

Eigenlijk geen normale vraag. „Achter de anti-aanbak...” Wij naar de schappen met vleugels.

Roze vleugels, blauwe vleugels, regenboog vleugels…

Ik weer terug. „Heeft u ook witte vleugels?”

Tegenvraag: „Liggen er witte vleugels tussen?”

Ik: „Nee.”

„Dan zullen ze op zijn, denk.”

Altijd maar dat woordje ‘denk’ achter een zin zetten, waarom doen ze dat toch in de Zaanstreek?

Mijn jongste dochter boog zich ondertussen over een plastic pop waarvan de oogjes niet open en dicht konden.

„Ach wat sneu”, zei ze tegen de pop, „jij bent overleden.”

Bij de uitgang een moeder van het schoolplein, ze keek hoofdschuddend naar het plastic met roze vleugels in mijn handen.

„Dat vindt juffie niet goed hoor. Echt niet, ze heeft gezegd: witte vleugels. Heb je de kassabon wel? Anders kun je ze niet terugbrengen, denk.”

Ik keek naar de rij bij de kassa en zei dat ik naar huis ging.

Een dag later drukte ze me de kassabon op het schoolplein in mijn handen, ‘vleugels 2 euro 98’.

„Scheelt toch weer.”

Lief bedoeld, ik werd er treurig van.

De hoofdengel speelde overigens gewoon met roze vleugels.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.