Klaas komt!

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: het moeizame begin van de stormwaarschuwing.

Op een Zeeuws strand probeerde iemand op de wind te zweven, tijdens storm Ciara.
Op een Zeeuws strand probeerde iemand op de wind te zweven, tijdens storm Ciara. Foto Wouter van Vooren

Het is natuurlijk mallotig om de doodgewone stormen in onze omgeving een naam te geven, maar niet ontkend kan worden dat het in een grote behoefte voorziet. Er was de afgelopen week geen journalistiek medium dat het nog over de harde wind kon hebben zonder de nieuwe naam te noemen. Kieuwra, moest je zeggen, wist het NOS Journaal.

Het zal dus niet lang meer duren voor ook hittegolven een naam krijgen. Weeronline en Weerplaza staan al klaar om hun pushberichten (‘landelijke hittegolf is een feit’) van nieuwe franje te voorzien. Dat wordt dan een strikt lokale traditie want Nederland en België hebben een heel eigen definitie van een hittegolf en de meeste landen maken zich er helemaal niet druk om.

Een groot geluk

Het is gezien de ontwikkelingen een groot geluk dat de komst van stormen en winderige dagen tegenwoordig al tien dagen van tevoren is te voorspellen, dan kan zo’n naam – er waren halvegaren die Tsjara zeiden – zich een beetje in de suffe koppen vastzetten. Klaas komt! De kans dat Klaas dan uiteindelijk toch niet komt is tegenwoordig niet groot meer.

Hoe lang kunnen wij hier in Holland de komst van stormen al een beetje betrouwbaar voorspellen, dat ga je je automatisch afvragen. Het blijkt een jaar of 120, de ingebruikneming van de ‘elektro-magnetische telegraaf’, uitgevonden in 1837, heeft er een doorslaggevende rol in gespeeld.

De Britse admiraal Robert FitzRoy (bekend van Darwins reis op de Beagle) realiseerde zich in 1859 dat stormen één à twee dagen nodig hadden om Engeland van west naar oost, of van noordwest naar zuidoost, over te trekken. Met de razendsnelle telegraaf kon je het oosten dus net op tijd laten weten dat in het westen een storm was gearriveerd. In 1860 begon hij een stormwaarschuwingsdienst die op dit beginsel berustte. De waarnemingen werden na 1864 ook ter beschikking gesteld van Vlissingen en (Den) Helder. Want dat kon: in 1855 was al een telegraafkabel tussen Engeland en Scheveningen in gebruik genomen. Een paar jaar later kwam er een vierdraadstelegraafkabel naar Zandvoort bij. FitzRoy’s stormdienst zat er pijnlijk vaak naast.

Al snel kwamen er weerkaartjes

Fundamenteler was de rol van de elektrische telegraaf in het verzamelen van weergegevens uit een wijde omgeving, gegevens als temperatuur, windsterkte en – vooral – luchtdruk zoals gemeten met een goed geijkte kwikbarometer. Internationaal werd afgesproken de metingen op vaste tijdstippen te verrichten en al snel werden ze in weerkaartjes samengevat. De eerste verschenen omstreeks 1860. Rond 1870 zie je al het bekend patroon van depressies en gebieden met hoge luchtdruk, omcirkeld door isobaren (lijnen van gelijke luchtdruk). Tegen die tijd is ook de regelmaat in de bewegingsrichting en -snelheid van de depressies al enigszins bekend en kon zoetjesaan begonnen worden aan weersvoorspelling.

Uit oude kranten (zie delpher.nl) blijkt dat het KNMI zich pas in 1892 aan het opstellen van globale weersverwachtingen durfde wagen. (‘Verwachting: veranderlijke wind.’) Pas in 1898 kwam er een eigen stormwaarschuwingsdienst waarvoor langs de kust palen werden opgesteld waarin desgewenst een stormbal kon worden gehesen. (De palen waarmee de waarschuwingen van FitzRoy werden doorgegeven waren tegen die tijd allang verdwenen.)

Zeevarenden hadden pas wat aan al die doordachte waarschuwingen vanaf het moment dat de ‘draadlooze telegrafie’ in gebruik werd genomen. En Marconi-toestellen, weten we van de Titanic, waren in 1912 nog lang geen gemeengoed. Dat roept de vraag op hoe zeelui vóór die tijd stormen wisten te vermijden. Antwoord: dat wisten ze niet. Ze voeren op hoop van zegen en hielden een scherp oog op de barometer of diens voorloper: het donderglas. Het donderglas (zie Wikipedia) was een primitieve barometer die ergerlijk gevoelig was voor temperatuurverandering. De aneroïde barometer die na 1850 op de brug verscheen had dat veel minder, maar toch had je ook daar niet veel aan. Sterke drukveranderingen bij lage luchtdruk voorspelden niet veel goeds, dat was al eeuwen bekend, maar je wist nooit wanneer en uit welke hoek de storm zou opdagen, ondanks de academische aanwijzingen van professor Buys Ballot.

Een signaal voor de landrot

Ongelukkig genoeg was het praktisch het enig houvast dat de zeeman had. Hij kon nog de wolken bestuderen en luisteren naar het fluiten van het want maar veel wijzer werd-ie daar niet van, dat was nu juist wat FitzRoy zo pijnigde.

Lieten dan de zeevogels niet zien wanneer er storm dreigde? Dat wordt tot op de dag van vandaag volgehouden en inderdaad schijnen nogal wat vogels naar land terug te keren zodra het menens wordt. Maar dat is een signaal dat vooral de landrot opvangt. Hoe lang voor de storm gaan de vogels er vandoor, dat is de kernvraag. Voelen zij hem van verre aankomen of reageren ze gewoon op toenemende wind? De wetenschap is er wat vaag over maar het verrassende nieuws is dat sommige zeevogels best eens een soort stormzintuig zouden kunnen hebben.

Er zijn vogels (mus-achtigen) die reageren op verandering van luchtdruk en er zijn vogels (duiven) die infrageluid waarnemen. En het staat vast dat oceanen waarover stormen razen infrageluid produceren. De laagfrequente geluidsgolven (‘microbaroms’) werden in 1935 door Russen en in 1939 door Amerikanen beschreven. Je zou zeggen: het duurt niet lang meer voor de vogel wordt aangewezen die de stem van de zee verstaat.