Interview

‘Makkelijk succes is vervelend. Helemaal als ze om alles lachen, behalve om de clou’

Herman Finkers Herman Finkers speelt de hoofdrol in een film waarvan hij ook het script bewerkte. Op zijn aandringen werd de film Twentstalig. „In het Plat spreken we accentloos.”

Wie niet beter weet waant zich thuis bij Herman Finkers in een oeroude boerderij. In de gevelsteen naast de staldeur staat het bouwjaar gegraveerd: ‘anno eind vorige eeuw’. Dat de cabaretier het huis twintig jaar geleden zelf ontwierp en liet bouwen – inclusief gevelsteen – ontging ook de ambtenaar die de WOZ-waarde van het huis moest bepalen. Hij inspecteerde de badkamer, met unieke kerkvloer en opvallende glas-in-loodramen, maar zónder douchecabine en toilet- en noteerde: ‘eenvoudige badkamer’. De boerderij – volledig geïsoleerd en van alle gemakken voorzien – kreeg ook het meest onzuinige energielabel. Toen Finkers daar iets van zei, werd hij nadrukkelijk op dat ‘eind vorige eeuw’ geattendeerd. „Sinds 1898 is er nooit wat aan verbouwd.”

Hij is vaker thuis dan vroeger, toen hij nog avond aan avond speelde. Hij doet alleen nog dingen die hij echt graag wil. Daarom was het zo’n aangename verrassing toen regisseur Johan Nijenhuis hem drie jaar geleden vroeg voor een film, gebaseerd op een Tsjechisch script waar hij net de rechten van had gekocht. „Dat leek me heel leuk.” Finkers las het script maar was niet meteen overtuigd. „Ik vroeg Johan of ik het mocht herschrijven.”

Het resultaat mag er zijn. De beentjes van Sint Hildegard is een sympathieke, soms aandoenlijke film geworden over Jan (gespeeld door Finkers zelf) die de goedbedoelde bedilzucht van zijn vrouw Gedda (vertolkt door Johanna ter Steege) niet langer aankan. Zoals Jan in de film zegt: „als je in de open haard twee houtblokken stijf op elkaar legt, gaan ze allebei uit. Pas als je ze losjes op elkaar legt branden ze als een fakkel.”

Het is, zegt Finkers nadrukkelijk, „een film van Johan Nijenhuis”, waar hij aan heeft meegewerkt. Al zijn de hand en de humor van de cabaretier wel duidelijk voelbaar. Bijvoorbeeld bij de toespraak die de kleinzoon houdt bij de uitvaart van zijn opa. „Je bent 63 jaar getrouwd geweest met oma Sinie. Maar nu heb je eindelijk rust.”

Het werken op een filmset verschilde diametraal van de gang van zaken bij zijn eigen voorstellingen. In het theater werkt hij bijna altijd vrijwel alleen. „Vanuit de eenzaamheid het volle licht in, en je daarna weer terugtrekken. Dat vind ik fijn. Op een filmset beland je in een heel circus. Dat heeft op zich ook iets heel moois en opwindends. Het nadeel van film is: je maakt hem één keer, en dat is het dan. Aan een voorstelling kun je elke avond knutselen.” De beentjes van Sint Hildegard is desondanks geworden wat hij ervan hoopte: „een kleine, lieve film.”

Lees ook: ‘Ik hoop maar dat de echtscheidingen in Twente niet al te veel zullen pieken’

De dialogen in de film ontrollen zich goeddeels in het Twents. Vooral omdat Johanna ter Steege dat graag wilde. „Ze had al in allerlei talen geacteerd, maar nog nooit in haar moedertaal.” Finkers en Ter Steege spreken altijd „plat” met elkaar. Al sinds 2005, toen hij haar benaderde voor een reclamespotje met als slogan „Twents, doar is niks mis met”. „Toen ze de deur van haar huis in Haarlem opendeed zei ze: ‘Ik doo dreks Plat met oe kuiern, want a’j eenmoal wend bint Hollaands te doon, wördt’t later lastig um ’t nog aans te doon’.”

Het voelt voor beiden het meest natuurlijk, zegt Finkers. „In het Plat spreken we accentloos.”

Eind vorig jaar werd hij 65. Toch wel een mijlpaal, besefte hij zelf ook. Vanaf nu is hij officieel een oude van dagen. Dat had hij vijftien jaar geleden niet kunnen denken. In 2002 werd bij hem chronische lymfatische leukemie vastgesteld. De prognose luidde toen: vijftienjaars-overleving nul procent. Maar hij is er nog steeds.

Wel wordt hij nog elke dag geconfronteerd met zijn grote gevoeligheid voor infecties, vanwege een extreem lage weerstand. Een paar jaar geleden ging zijn hoofd zo vol zitten dat hij doof begon te worden. Hij heeft voortdurend het gevoel dat zijn oren vol water zitten. Daar is goed mee te leven. Al blijft het jammer dat muziek nooit meer zo mooi klinkt als vroeger. „Een viool krast, een fluit piept.”

Zijn gehoor heeft zich wel weer enigszins hersteld. Maar het wordt nooit meer wat het was. „Ik weet nog dat ik voor het eerst een klassiek orkest hoorde. Ik studeerde net in Groningen, en ik ging met andere studenten naar een concert in De Oosterpoort. Dat warme gevoel van die strijkers maakte zo’n enorme indruk op me. Die ervaring is nu weg, omdat het altijd vervormd klinkt.”

Door die gevoeligheid voor infecties zitten lange theatertournees er niet meer in. Soms denkt hij weleens aan een korte serie voorstellingen. Niet dat hij zo’n podiumdier is. Sterker nog: hij mist het podium helemaal niet. Maar als hij door de schriften bladert waarin hij nieuwe vondsten opschrijft, gaat het soms kriebelen. „Als je iets verzonnen hebt is het toch jammer om er niks mee te doen.”

De humor is wel drastisch veranderd sinds u in 1979 met cabaretprogramma’s begon. Een telefoonspelletje als Geen Jager Geen Neger zou nu niet meer kunnen.

„Dat zou nu juist nog veel beter kunnen. Want zowel op het N-woord als op de jacht rust een taboe. Met zo’n telefoonspelletje kun je daar alvast met de kandidaten mee oefenen. De Luizenmoeder zat vol met foute grappen. Die grappen zijn niet leuk vanwege de grappen zelf, maar omdat degene die ze maakt zichzelf ermee voor schut zet. Als Juf Ank tegen een zwarte man die de klas binnenkomt zegt: ‘u kunt over een half uur beginnen met schoonmaken’, dan staat niet die zwarte man voor gek maar Juf Ank.”

Die grap over de Ethiopische atleet Selassie uit Kalm aan en rap een beetje (uit 2000) is bijvoorbeeld nog steeds ijzersterk, zegt hij. Er lag al jaren een premie van een miljoen dollar klaar voor de eerste atleet die de dubbele mijl binnen de acht minuten kon lopen. Selassie liep die dubbele mijl op één seconde na binnen die acht minuten. De conclusie lag volgens Finkers voor de hand: Als die Selassie één seconde harder had gelopen, dan had hij één miljoen dollar verdiend. Dus die negers zijn zo verrekte lui….

Triomfantelijk: „Wie staat er dan voor gek? Selassie of ik?”

Hij is soms wel aangenaam verrast als hij zijn werk terugziet. „Dan kan ik denken: dit is verdomd leuk gevonden.” Maar er zijn ook genoeg momenten die hij nu „slap” vindt. „Vooral woordspelinkjes. De ellende van een woordspeling is dat ze het in de zaal altijd erg goed doen. Maar eigenlijk is het een zwakke vorm van humor. Ik heb vaak gedacht: ‘ach, laat ik die vanavond maar weglaten’. Maar dan miste je toch een heel grote lach.”

Het liefst heeft hij kleine, goed gevonden verhaaltjes: Op een ochtend word ik wakker, ik doe een plas, sta op en denk: verrek, het moest andersom… „Dat vind ik veel leuker. Je kunt ’m ook moeiteloos in een andere taal omzetten. Dan blijft-ie leuk. Woordspelingen kun je vrijwel nooit vertalen. Maar ‘Ik ben niet getrouwd, mijn schoonouders konden geen kinderen krijgen’ werkt in elke taal. Of deze: ‘Ik kom thuis, roep: ‘Engeltje?’. ‘Jaha’, antwoordt mijn vrouw. ‘Mens, bemoei je er niet mee’. Dat vinden ze overal grappig.”

Makkelijk succes is vervelend. Zeker als ze bij voorbaat lachen om elke zin. „Helemaal als ze om alles lachen, behalve om de clou. In Na de Pauze had ik een liedje, waarin een paar regels zaten die voor mij elke avond opnieuw een test waren.

Pater Pio was een kapucijn

Die kon op twee locaties zijn

Maar, en dat was de bijzonderheid

Hij kon dat tegelijkertijd

„Als ze daar om lachten, wist ik: dit zit goed. Ze zitten op dezelfde golflengte als ik. Als ze ’m niet oppikten, lachten ze vooral om alles wat enigszins met seks te maken had. Dan hoorde ik na afloop steevast als kritiek: ‘het ging wel een beetje veel over seks’. Dan dacht ik altijd: dat hebben jullie er zelf uitgehaald.”

Lees ook: Film ‘Beentjes van Sint-Hildegard’: nuchter over de penopauze

Maar dat is nou eenmaal de crux van cabaret: de zaal blijft een essentieel onderdeel van de partituur. Zonder de lach van het publiek geen voorstelling. „Van die geniale ‘Roepie Roepie’ van Toon Hermans blijft in een studio helemaal niets over. Het is die lach, waar hij tegenaan tennist. Daardoor wordt het meesterlijk.”

Toon Hermans speelde door tot zijn tachtigste. Dat zou voor Finkers niet hoeven. Hij heeft voor zijn gevoel al best veel laten zien. Hij wil vooral nog dingen doen waar op dit moment zijn hart ligt: Gregoriaanse missen maken en uitvoeren, en zich inspannen voor het Twents. Hij is bezig De Gruffalo en Nijntje te vertalen in zijn moerstaal. De beentjes van Sint Hildegard kan wat dat betreft ook veel goeds doen. „Ik hoop dat de film een beetje emanciperend zal werken voor het Twents.”

Met het ouder worden, wordt hij zich er steeds meer van bewust dat hij niet met zijn tijd mag morsen. Zijn eigen vader werd maar 63. Hij is nu al twee jaar ouder. Het was vreemd om hem in leeftijd voorbij te gaan. „Op elke foto die ik van hem heb is hij jonger dan ik nu ben.” Hij overleed in het AMC. Rondom zijn vaders sterfdag lag hij zelf in het AMC. Finkers was toen bijna 63. „Ik vond het wel iets om bij stil te staan. Ook omdat mijn oma net als hij maar 63 geworden is. Ik realiseerde me heel goed: ‘dit zou het kunnen zijn’. Al vond ik het verhaaltechnisch too much. In een script zou het echt ver over de top zijn.”

Nog een jaar en dan gaat hij ook zijn vriend Willem Wilmink voorbij. Die overleed in 2003. Hij denkt nog vaak aan hem, omdat Wilmink degene was die hem op het spoor bracht van zijn meest persoonlijke programma Na de Pauze. „Hij zei altijd: ‘het is heel leuk en grappig wat je doet, maar je hebt nog méér laatjes. Probeer die eens open te trekken.’” Toen Finkers in 2000 gestopt was met zijn theaterprogramma’s stond Wilmink op een dag voor de deur met een schrift. „‘Hier moet je vanaf nu elke dag iets in schrijven. Maakt niet uit wat. Gewoon alles wat je te binnen schiet. Eens in de paar maanden kom je bij mij met dat schrift. Dan gaan we Belgische biertjes drinken en erover praten’.”

Wilmink heeft Na de Pauze niet meer gezien. „Hij heeft alleen de tekst van een paar liedjes gelezen. Die vond hij mooi. Hij zei: ‘Dit is precies wat ik bedoelde’.” Toen Wilminks weduwe Wobke in 2008 vanuit Enschede verhuisde naar Almere vroeg ze of de urn met een deel van zijn as mocht achterblijven in Twente, in de tuin van Finkers. Sindsdien rust de as van de dichter onder een Bentheimer steen, met inscriptie. ‘Ik ga slapen, ik wil dromen dat ik droom. Willem Wilmink – Aswoensdag 2008.’ Binnenin het Sint Nicolaasbeeld dat op de steen staat, is Wilminks laatste pakje North State verstopt, dat ze in de lade van zijn bureau vonden, inclusief de laatste niet opgerookte sigaret. „Ik vind het een heel mooie gedachte dat een deel van hem hier nog is.”

In Na de Pauze zat een liedje over de dichter.

Lieve dode dichter, in je kistje onder glas

Nu je uit je pijn bent, zie ik je pijnen pas

Finkers schreef het in de dagen tussen het overlijden en de crematie van Wilmink. „Het was nog amper tot me doorgedrongen. Een wereld zonder Willem kon ik me gewoon niet voorstellen.” Al was Wilmink wel echt klaar met het leven. Dat is het grote verschil met Finkers zelf. „Dat gevoel heb ik helemaal niet. Officieel zit ik nu in de derde levensfase. Maar ik ben zeker nog niet kláár. Ik móét niks meer maar ik wíl nog van alles. Ik wil juist heel zinvol omgaan met de laatste etappe.”


Correctie (15 februari 2020): in een eerdere versie van dit artikel stond door een eindredactionele fout in de intro dat Herman Finkers „boer Jan” speelt in de film De Beentjes van Sint-Hildegard. Finkers speelt een veearts.