Recensie

Recensie Boeken

Hoe beschaafd was de vreemdeling?

Volkenkunde Oude tekeningen en prenten vormen de bronnen voor een knap en uitvoerig boek over vroege ontdekkingsreizen en de volkeren die de reizende Europeanen aantroffen.

Magellaans eerste reis om de wereld, 1519- 1521, verbeeld op een Nederlandse ansichtkaart.
Magellaans eerste reis om de wereld, 1519- 1521, verbeeld op een Nederlandse ansichtkaart. Illustratie Culture Club/Getty Images

Reisbeschrijvingen, scheepsjournalen, brieven, rapporten en al dan niet gedrukte kaarten vormen de bronnen voor menig boek over de Europese ontdekkingsreizen. En al vaak is het eeuwen omspannende verhaal verteld. Hoe de wereld in West-Europa en in het Middellandse Zeegebied er in de Middeleeuwen ongeveer uitzag. Marco Polo en anderen berichtten over het verre Azië. Portugezen verkenden de westkust van Afrika, rondden uiteindelijk Kaap de Goede Hoop, en vonden de weg naar de Indonesische archipel, en nog verder naar de Molukken, China en Japan.

Omstreeks dezelfde tijd, zo omstreeks 1500 werd de blik westwaarts gekeerd. Het Caribisch gebied werd bereikt, de kusten van Brazilië en Noord-Amerika verkend. En toen Magelaen ten slotte om Kaap Hoorn was gezeild en de aardbol had gerond stonden de grootste continenten op de kaart.

Ook de historicus Ernst van den Boogaart vertelt dit verhaal, maar het kenmerkende van zijn boek is dat hij zich concentreert op nog een andere, minder vaak gebruikte bron, de visuele bron. Hij concentreert zich op tekeningen en prenten die men aantreft op de randen van kaarten, als illustraties van reisverslagen of ook wel los. Het zijn de afbeeldingen van de volkeren die de ontdekkingsreizigers hebben ontmoet. Het waren mensen en inmiddels, zoals menige mythe wilde doen geloven, steeds minder reuzen, cyclopen, eenbenigen of eenogigen die men aantrof, maar mensen die fysiek alleen in lichaamsbouw en huidskleur afweken van wat men gewend was.

Goud en edelstenen

Het gaat Van den Boogaart daarbij niet alleen om de wijze van afbeelding, maar meer nog om de betekenis ervan. Is het mogelijk om aan de hand van die afbeeldingen van Congolezen, Khoikhoi, Javanen, Oeigoeren, Tupi-indianen of Canariërs iets te zeggen over de manier waarop deze mensen werden waargenomen en beoordeeld?

Het antwoord is ja. In zijn etnografische iconologie analyseert Van den Boogaart op knappe en uitvoerige wijze vele representaties die hij aantrof in boeken en manuscripten uit de periode 1400-1600. Die plaatjes zijn niet louter illustratief, ze bieden de beschouwer ook een boodschap, een beoordeling van die ander en zijn cultuur. Dat gebeurde natuurlijk met Europese ogen, maar dat maakt het er niet minder interessant om.

Er zat systematiek in de wijze van beschrijving en afbeelding. De zeevaarders die zich met nieuwe landen geconfronteerd zagen, beschikten over een heel protocol van verplichte, praktische waarnemingen. Was er een goede ankerplaats, was er drinkwater beschikbaar, hoe gedroegen de bewoners indien aanwezig zich, wat waren hun middelen van bestaan, leverde de grond ertsen op of liever nog edelstenen of goud, en waren er producten waarin gehandeld kon worden.

In dit boek gaat het veel eerder over de mate waarin men de vreemde volkeren beschaafd achtte. Er bestond volgens die Europese ogen een heel continuüm van beschaafd naar wild. Een criterium daarbij was de mate van gekleedheid. Hoe naakter hoe wilder. Beter gekleed betekende een hogere mate van kennis en technische vaardigheid. Naaktheid gold als hoogst onbeschaafd. In het algemeen achtte men de bewoners van Europa en Azië op een hogere trap van de beschaving te staan dan die van Afrika en Amerika. De mate van civilisatie werd mede bepaald door de natuurlijke omstandigheden.

Kleine elite

Andere criteria waren het al of niet aanwezig zijn van een geloof, van een hiërarchie in de maatschappelijke orde en van een rechtstelsel. Huidskleur speelde daarbij niet in de eerste plaats een rol. Men ging er van uit dat elke samenleving op een bepaalde trede van de beschaving stond en dat die in de loop der tijd hoger kon worden.

Het interessantst zijn de beeldenreeksen die vervaardigd werden en waarop men telkens een man en een vrouw uit een bepaalde regio ziet afgebeeld. Uit de kleding en de attributen zoals wapens en sieraden werd, eventueel samen met een bijbehorende tekst, de mate van beschaafdheid afgeleid.

De vraag die blijft na lezing van dit compact geschreven en mooi uitgegeven boek, is wie al die kennis bereikte. Het moet een kleine elite zijn geweest van vorsten en hun entourage, van geestelijken, zeevaarders en kooplieden. Dankzij de drukkunst heeft de geografische kennis zich verder verbreid, maar de meeste mensen kenden niet veel meer dan de naast bijgelegen stad of streek.

Het sluitstuk van dit boek is het hoofdstuk over de encyclopedische, destijds al prijzige atlas van Abraham Ortelius, Theatrum Orbis Terrarum. Die bevatte alle omstreeks 1600 bekende geografische kennis in tekst en beeld. Er lagen nog omvangrijke gebieden te wachten op verkenning door Europeanen, om maar wat te noemen, noordelijk Amerika, Siberië, de binnenlanden van Afrika en niet te vergeten de Stille Zuidzee. Stof genoeg voor een vervolg op dit interessante boek.