De Koran lezen lost psychische problemen niet voor je op

Depressief Moslimjongeren met een depressie voelen zich thuis vaak niet gehoord. Vraag Allah om hulp, zeggen familieleden. „Tegen iemand met kanker, zegt je toch ook niet: ga bidden?”

Aya (20): „Ik voelde me een waste of space.”
Aya (20): „Ik voelde me een waste of space.” Foto Annabel Oosteweeghel

Je moet bidden, zei haar beste vriendin toen Aya (20) uit Maastricht vertelde dat ze depressief is. Aya’s moeder zei: „Hier in Nederland hebben jullie een luxe leven. Je hebt geen reden om je slecht te voelen.”

Haar zus: „Het is een fase, het gaat over. Vraag Allah om hulp.”

In een koffiebar in Eindhoven drinkt Aya (vanwege de gevoeligheid van het onderwerp zonder achternaam in NRC) matcha-thee en zegt: „In de moslimgemeenschap voel ik me niet begrepen.” Je praat niet over depressieve gevoelens. Je lost problemen zelf op, met hulp van God. „Maar depressie is een ziekte. Tegen iemand die kanker heeft, zeg je ook niet: ga bidden. Dat helpt toch niet?”

Door die stilte is het voor jonge moslims met een depressie (of een andere psychische aandoening) moeilijk om met familie of vrienden over hun probleem te praten. Een goede therapeut kan helpen, zegt Samira Boubkari, psycholoog bij de ggz in Schiedam. „Maar alleen als hij of zij oprecht nieuwsgierig is, of de wereld van Marokkaans- of Turks-Nederlandse jongeren kent. Anders moeten die jongeren te veel uitleggen, en dáár heb je nou juist geen energie voor als het slecht gaat.”

Ik merk dat jongeren zich vaak schamen, zegt zelfstandig psycholoog Hanan Haddouch uit Rotterdam. „Ze denken dat ze zwak zijn. En dat ze de enige zijn.” Dat, zegt Haddouch, heeft niet zozeer te maken met het geloof, maar wel met cultuur. Kinderen krijgen het mee in hun opvoeding: „Een gelovig moslim is niet ongelukkig. En denkt al helemaal niet aan de dood.”

In de Marokkaanse cultuur zijn veel onderwerpen hchouma, een schande, zegt ze. Over onaangename zaken praat je niet – dat idee hoort ze in haar spreekkamer dagelijks.

Soms wordt depressie verward met gekte

Samira Boubkari, psycholoog

Depressie is voor veel mensen een taboe-onderwerp, zegt Samira Boubkari. „Marokkaanse jongeren voelen dat sterker omdat de ziekte binnen hun eigen gemeenschap soms wordt verward met gekte.” Er wordt over gezwegen: als ouders niets over psychische problemen weten, bestaan ze niet. Boubkari: „De oplossing is al snel: wees een goede moslim en lees de Koran.”

Er zijn geen cijfers van hoeveel jongeren met een migratieachtergrond deze psychische problemen hebben. De deskundigen in dit artikel zeggen wel dat er vanwege de migratieachtergrond een verhoogde kans is, in vergelijking met Nederlandse jongeren, onder meer omdat deze kinderen steeds moeten switchen tussen twee culturen. Onderzoek toont wel aan dat in migratiekringen veel minder professionele hulp of zelfs informele hulp wordt gevraagd bij psychische stoornissen.

Altijd je eer hooghouden

Vanuit de Marokkaanse cultuur wordt exploreren minder gestimuleerd, zegt Haddouch, terwijl Nederlanders ontdekken juist aanmoedigen – van fouten maken kun je leren. „In de Marokkaanse cultuur is fouten maken hchouma.”

Aya zegt: „Als Marokkaans-Nederlands meisje moet je altijd je eer hooghouden. Je netjes gedragen.”

Nihâl (23) uit Eindhoven herkent dat. „Hchouma is in het Turks Ayib”, zegt ze. Haar depressieve gevoelens begonnen op de basisschool waar, zoals Nihâl dat uitdrukt, „de islam van angst werd gedoceerd”. „Als je een bepaald vers niet kende, kwam de duivel je halen. Dat soort bangmakerij.” Thuis was er liefde maar ook veel onbegrip en ruzie tussen haar Nederlandse (bekeerde) moeder en haar Turkse vader. Op de basisschool werd ze gepest, vertelt ze. „De andere kinderen waren volbloed Turks, Marokkaans, Somalisch. Tegen mij zeiden ze: ‘Je bent een nep-Turk. Je spreekt niet eens goed Turks. En je bent ook nog lelijk en dik’.”

Ze was „een actief en zelfverzekerd kind”, maar het pesten raakte haar diep. „Ik ging aan mezelf twijfelen. Als ik er thuis iets over zei, geloofde mijn vader niet dat onze eigen gemeenschap mij uitsloot.” Nihâl is acht jaar als ze zichzelf probeert te verstikken met een hoofddoek. „Ik wilde iets voelen. Toen ik voelde hoe het was om geen lucht te krijgen, was dat voor mij bewijs dat ik kón voelen.”

Aya is elf als de somberheid toeslaat. Ze denkt achteraf dat de scheiding van haar ouders op haar negende en het vertrek van haar vader naar Marokko op haar elfde, een depressie uitlokten. „Ik was heel close met mijn vader. Opeens was hij weg.” Ze wilde „geen last zijn” voor haar moeder, die „als een powervrouw” doorging met haar werk als schoonmaakster in een ziekenhuis en vier kinderen opvoedde – Aya is de jongste. „Mijn moeder laat het nooit zien als het slecht met haar gaat, dat is heel Marokkaans.”

Op de middelbare school, Aya is twaalf, is ze onzeker – ben ik mooi genoeg? Ben ik lang genoeg? Ben ik dun genoeg? Ze is verdrietig, vaak om onduidelijke redenen. Op haar veertiende denkt ze voor het eerst aan zelfmoord. Zou het beter zijn voor de wereld als ik er niet ben? „Ik voelde me een waste of space.”

Precies dat gevoel herkent Nihâl, vooral tijdens haar middelbareschooltijd. Ze zat op een witte school. „Ik was de enige met een hoofddoek.” Dagelijks kreeg ze islamofobe opmerkingen, zegt ze. ‘Je draagt een theedoek.’ ‘Je bent een terrorist.’ Of: ‘Blaas jezelf op.’ Thuis kan Nihâl niet over haar zwaarmoedige gevoelens praten. „Mijn moeder zei: ‘Oh dat bedoelen ze vast niet racistisch’.”

Lees ook: Het grote taboe bij moslims op het verzorgingstehuis

Als ze veertien is, krijgt haar oudste broer lymfeklierkanker. „Mijn ouders waren fulltime in het ziekenhuis. Ik had het gevoel dat er geen ruimte was voor mij, voelde me onbelangrijk. Maar daar voelde ik me dan ook schuldig over. Ik voelde me een last voor iedereen en schaamde me voor mijn gevoelens.”

Zowel Nihâl als Aya hebben dan weinig steun aan het geloof. Nihâl: „Ik zag eruit als een moslim met een hoofddoek, maar ik had weinig vertrouwen in de islam. Bidden deed ik niet.” Aya: „Ik dacht: Mijn God laat me pijn hebben en lijden, en hij doet er niets aan.”

‘Cultuur verandert langzaam’

Samira Boubkari ziet dat vaker. „Religie kan helend zijn. Maar het kán ook een verzwarende factor zijn, als psychologische worsteling wordt gezien als een gebrek aan geloof.”

Mijn moeder is een actieve vrouw, zegt Nihâl. „Ook als ze moe is, gaat ze door. Ze begreep niet dat ik vaak niet uit bed kón komen. Dat bestaat niet in haar wereld.”

Ook Aya ontmoet onbegrip. „Mijn moeder zei: ‘Ik vind het niet leuk als je dit zegt.’ Ik dacht: Huh, ik vind het niet leuk dat ik dit voel.”

Psycholoog Hanan Haddouch valt het op dat veel jongeren van Marokkaanse en Turkse komaf, de schaamtecultuur van hun ouders geïnternaliseerd hebben. „Cultuur verandert kennelijk langzaam.” Ze merkt dat het voor jongeren vaak al een opluchting is om te horen dat verdriet, boosheid en somberheid bij het leven horen en dat je dat mág voelen. „Tegelijkertijd leg ik uit dat het je niet allemaal overkomt. Je kunt invloed hebben op hoe je denkt en op je emoties.”

Lees ook het opiniestuk van deze groep psychiaters: Maak een depressie niet erger met mythes over aanpak

In de derde klas van de middelbare school kreeg Nihâl het advies om hulp te zoeken, toen ze met een schoolmaatschappelijk werker voor het eerst sprak over haar depressieve gevoelens. Maar het gevoel „niemand begrijpt me toch” heeft haar lang tegengehouden om hulp te zoeken. Pas vorig jaar, op haar 22ste, ging ze in therapie.

Ze deed mee aan een aantal „therapieweken” buiten haar normale omgeving. Haar vader was erop tegen omdat het een gemixte groep was (niet alleen meisjes), maar toch ging ze onder leiding van therapeuten naar Frankrijk. „Ik kreeg weer verbinding met het zelfverzekerde en actieve kind dat ik ooit was. Niet dat ik haar weer wérd, maar ik kon naar haar kijken. En ik ging het weer waarderen om met mezelf te zijn.” Sinds een half jaar heeft ze structurele therapie.

Aya sprak één keer met een therapeut. „Ik vond het fijn dat iemand naar me luisterde, maar ik vind dat ik er zelf mee moet leren omgaan.”

Nihâl woont nog bij haar ouders in Eindhoven en doet vrijwilligerswerk, Aya studeert Japans in Maastricht. Beiden hebben zich ontworsteld aan de voor hen beklemmende manier van de islam belijden. Dat gaf ruimte om anders met het geloof om te gaan. Aya: „Ik bid nu om God te aanbidden, niet om hem te vragen me beter te maken. Dat moet ik zelf doen.”

Nihâl deed haar hoofddoek af, maar omarmde de islam des te meer. Ze probeert meer kennis te vergaren.

Aya wil haar verhaal aan NRC vertellen om het taboe te doorbreken en andere jongeren te helpen. Op Instagram schrijft ze in het Engels gedichten over hoe ze zich voelt. „Van over de hele wereld krijg ik reacties. Mensen zeggen: ‘Door jouw berichten voel ik me gehoord’. Daar doe ik het voor. Er zijn zo weinig mensen die opkomen voor islamitische jongeren.”

Ook Nihâl wil zichzelf „niet meer beperken” en blogt over haar problemen. „Ik krijg reacties van mensen die zeggen: ‘Hé, dat heb ik ook’. Het schrijven helpt me ook om mezelf te evalueren en woorden te vinden voor wat ik voel.”

Haddouch juicht dat toe. „Hoe meer openheid, hoe beter.” Ze ziet dat steeds meer jongeren zich uitspreken.

Overigens is er ook verzet. Aya: „De negatieve reacties komen vooral van Marokkaanse jongens en mannen. Ze vinden een sterke vrouw kennelijk intimiderend.”