Recensie

Recensie

Luyendijk en Van Lede: boeiende bespiegelingen van twee slimme penvrienden

Briefwisseling Schrijver Joris Luyendijk en oud-Akzo-topman Kees van Lede schreven elkaar 27 e-mails over allerlei zaken. Een spannend duo: beiden goed op de hoogte, maar met verschillende meningen.

Regenten van het Leprozenhuis in Haarlem, Jan de Bray, 1667.
Regenten van het Leprozenhuis in Haarlem, Jan de Bray, 1667. Foto Collectie Frans Hals Museum

Benieuwd wat er wordt besproken tijdens de geheimzinnige Bilderbergconferenties? Of in de internationale adviesraad van JPMorgan Chase, de grootste bank ter wereld, met prominente leden als Henry Kissinger en Tony Blair? Hoe wordt er achter gesloten deuren door (oud-) topbestuurders, politici en diplomaten gedacht over de (on)houdbaarheid van het aandeelhouderskapitalisme, de beloningskloof, diversiteit, klimaatverandering?

Dit en nog véél meer komt aan bod in een levendige, diepgaande, bij vlagen felle briefwisseling tussen journalist en schrijver Joris Luyendijk en Kees van Lede, onder meer oud-topman van chemiebedrijf AkzoNobel en voormalig voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW. De twee schreven elkaar tussen april 2018 en december 2019 zeventwintig lange e-mails, gebundeld in het pas verschenen Pessimisme is voor losers.

Het idee ontstaat bij Kees van Lede (1942), die al vaker was gevraagd „eens wat van zijn levensloop aan het papier toe te vertrouwen”. De telg uit het geslacht Van Lede, tevens oud-president-commissaris van De Nederlandsche Bank, voelt echter weinig voor memoires: teveel een eenzijdig egodocument. Liever wil hij een dialoog over maatschappelijke thema’s met iemand van „een volgende generatie”. Wie beter dan Luyendijk (1971)? De schrijver van zeven boeken dook diep in diverse werelden, waaronder het Midden-Oosten, het Binnenhof en de Londense City.

Een gouden zet, blijkt. Na een beschrijving van hun eerste ontmoeting „op de zoveelste verdieping” van het Europese hoofdkantoor van JPMorgan in London – Van Lede zit in de adviesraad van de bank – vuurt Luyendijk in zijn eerste brief direct een vragensalvo af op ‘Beste Kees’. Hoe gaat het er precies aan toe in „die internationale laag waarin jij als een van de enige Nederlanders actief bent geweest”?

Mensen met grote verantwoordelijkheden

Van Lede antwoordt openhartig en gedetailleerd – de afspraak is immers dat de brieven „grondstoffelijk” zullen zijn. Hij vertelt over het ontstaan van nationale en internationale overlegnetwerken tussen topbestuurders. Ondanks jongensboeknamen als Bilderberg, de Trilaterale commissie, de ABUP, de Pijp en de Schoorsteen, zijn hun besloten bijeenkomsten niet veel spannender dan een „nuttige uitwisseling voor de inschatting van kansen en risico’s” tussen mensen met grote verantwoordelijkheden voor bedrijven of landen.

En passant vertelt Van Lede hoe de bejaarde Kissinger, die hij bij meerdere gremia tegen het lijf loopt, weer eens tijdens een vergadering in slaap dommelt. Aan Van Lede de eer om de luid snurkende Amerikaanse oud-buitenlandminister een por te geven. „Was het niet jouw uitspraak ‘Het zijn net mensen’?”, refereert Van Lede aan de titel van een van Luyendijks boeken over het Midden-Oosten. „En zo is het ook in deze internationale kringen.”

Wellicht dacht Van Lede bij zijn eerste brief nog dat Luyendijk hem hartelijk ging bedanken voor het inkijkje en daarna over zou gaan op een ander onderwerp. Maar ‘Beste Joris’ reageert ferm: hoe voelt het om naast iemand te zitten als Kissinger, die zich tijdens de oorlogen in Vietnam en Oost-Timor „schuldig heeft gemaakt aan oorlogsmisdaden”? Bovendien, is het niet een probleem dat de Britse oud-premier Blair een miljoenenvergoeding krijgt als adviseur van een grote bank terwijl zijn partijgenoten „een fundamenteel debat horen te voeren over het opknippen van die banken”?

De kracht van Pessimisme is voor losers (Luyendijk is de pessimist, Van Lede de optimist) ligt erin dat beide penvrienden kritisch doorvragen en gevoelige thema’s niet mijden. Hun nieuwsgierigheid, gekoppeld aan sterk analytisch vermogen en een heldere schrijfstijl, zorgt voor boeiende brieven. Zo’n lijvig boek verslaat qua diepgang logischerwijs ieder interview met een topman in een krant of op tv.

Het helpt dat de mannen, mede door hun professionele loopbaan, veel van de wereld hebben gezien. Er is genoeg overlap om samen complexe onderwerpen te ontleden – bijvoorbeeld het ontstaan en de toekomst van het huidige economische systeem – en genoeg verschil om het spannend te houden. Als twee kennissen die tijdens een borrel van het ene in het andere onderwerp vallen, variërend van de gele hesjes in Frankrijk, tot de Brexit, tot de laatste fratsen van president Trump.

Twee profiteurs van de globalisering

Dat is gelijk ook de keerzijde van deze combinatie van briefschrijvers: beide mannen behoren tot de profiteurs van dezelfde globalisering waar ze in hun briefwisseling regelmatig op reflecteren. Als Luyendijk vertelt dat hij ,,dadelijk naar Egypte gaat voor de Arabische vertaling van mijn boek over de banken”, reageert Van Lede: ,,Ik ben benieuwd naar je ervaringen in Caïro. Egypte is een van de weinige Arabische landen waar ik nooit ben geweest, maar ik hoop er zeker nog eens te komen.”

Een kort dialoogje dat je alleen kunt aantreffen tussen leden van de Nederlandse en internationale elite van bestuurders en denkers – want ook Luyendijk behoort tot die toplaag. De journalist is zich daar terdege van bewust. Als ze het onderwerp diversiteit behandelen stelt Luyendijk vast dat „zelfs de PvdA sinds Wim Kok wordt geleid door mensen met een hogere-middenklasseachtergrond”. ,,Ik kom zelf ook uit zo’n nest, en ging naar een typische school voor de hogere klasse: het gymnasium.”

Van Lede vertelt nergens hoe zijn geboorte in een lange traditie van geneesheren en bestuurders hem heeft gevormd en – waarschijnlijk – heeft geholpen. Wie weet is die terughoudendheid een andere reden waarom hij een briefwisseling verkoos boven memoires.

De vorm is een goede keuze. Meer van dergelijke brievenboeken zijn welkom. Liefst met (nog) grotere verschillen tussen de penvrienden. De schrijvers, en daarmee ook de lezers, steken veel van elkaar op. Zoals Luyendijk afsluitend aan Van Lede schrijft: „Kees, het was me een genoegen over zo’n lange periode door jouw blik naar de wereld te kunnen kijken.”