Vrij zijn is...in een Caribische drumband spelen

Vrij Hoe breekt Nederland uit de sleur?

‘Raboem bibi boemboem!” „Links, rechts, kaka kaka!” In het oefenzaaltje van muziekcentrum Q-Factory moet Revelino Pinas (26) bijna schreeuwen om boven het geluid van de drums uit te komen, die onder de buiken van vier jongens bungelen. Ze vormen een deel van Eternity, een van de Caribische drumbands uit Amsterdam Zuidoost. Het is het paradepaardje van de stichting Eternity. Die probeert jongeren een toekomstperspectief te geven door ze op te leiden tot professionele drummers, zegt Pinas, docent bij de stichting en een van de muzikale leiders van de band.

Op drie mei spelen ze in het Bijlmerparktheater de voorstelling Umuntu, over wat het betekent om man te zijn, vertelt Pinas trots. Maar vandaag oefenen ze hun standaardrepertoire, waarmee ze op bruiloften, winkelopeningen en stadsfeesten optreden. Ze repeteren onder meer hun dansjes op de sambabeats, trancebeats en reggaebeats die ze spelen. Als iemand slaat wanneer dat niet moet, of een stap naar links zet terwijl de rest naar rechts gaat, giert de groep van het lachen.

Chovanny Macnack (20), twee kleine diamantjes in zijn oren, lijkt de meest serieuze van het stel. Met een geconcentreerd gezicht trommelt hij op zijn snaredrum, en maakt af en toe filmpje als Pinas een ritme bij hem voordoet. Hij had de „oude” drumband zien spelen op de Uitmarkt Amsterdam toen hij acht was, zegt hij, en besloot toen dat hij ook een drummer zou worden. Hij werd lid van Eternity Kids, oefende thuis met behulp van YouTubefilmpjes en satéstokjes en heeft geen les overgeslagen. Toen hij in 2015 bij de band mocht, was dat „een droom die uitkwam”.

Eternity houdt kinderen van de straat en geeft ze „knowledge” over het leven mee, zegt Pinas, die een shirt met het logo van de stichting draagt. Veel jongens zijn opgegroeid zonder vader, vertelt hij, en de docenten proberen daarom een rolmodel te zijn. Ze geven complimenten als de kinderen zeggen: „meester, ik heb een tien gehaald voor mijn toets.” En als ze van moeders horen, „meester, mijn zoon luistert niet naar mij”, manen ze de kinderen aan om respect voor hun ouders te tonen.

Als de laatste beats zijn gespeeld, de ringen en horloges weer zijn omgedaan, en de drums in de hoezen gestopt, wordt er even nagepraat. Michael Fransman (27) zegt dat de band hem voor de criminaliteit heeft behoed. „Je kent de Bijlmer toch. Als jongens op straat zeiden, wil je dit doen, wil je dat doen, dan kon ik zeggen: ‘ik ben druk’.” Bestuursleden van de stichting lieten hem zien dat je als donkere man iets van het leven kan maken, zegt hij. Zelf werkt hij nu in de ICT. „Ik heb geleerd dat een man open mag zijn over zijn obstakels en ambities.”