Opinie

Urban Espresso Bar: symbool voor Rotterdam

In deze eenvoudige koffietent in West ontwijkt men elkaars blikken niet. Er worden havermelk-lattes gedronken en bakkies pleur, zegt Jonasz Dekkers. Het is symbool voor hoe gentrificatie wel werkt.

Illustratie Stella Smienk

Wat hebben Wilfried de Jong, Abdelkarim El-Fassi en Hugo Borst gemeen? Buiten dat ze tv-makers zijn, zitten ze op een regenachtige maandagmorgen, tegelijkertijd maar in hun eentje, in een kleine koffiezaak in Rotterdam-West. De zaak zit bomvol. Zoals wel vaker zit ik er ook. Half per ongeluk en half met opzet vang ik verschillende gesprekken op. Rechts van mij spreken twee, aan hun kleding te zien, bouwvakkers over de nieuwe tegeltjes op het Middellandplein. „Ze zijn wel mooi hoor, daar niet van, maar waarom moesten ze nou doorgetrokken worden tot op de Claes de Vrieselaan? Dat verzakt toch allemaal weer binnen de kortste keren?” „Oh ja, joh?” Links van mij spreken twee filosofen over het werk van Michel Foucault. „In zijn latere werk heeft hij het meer over de complexe rol van het subject, terwijl hij vroeger meer schreef over de invloed van overheersende en onbewuste machtsstructuren.” „Oh ja, joh?”

Te midden van dit gespreksgeweld vraag ik mij af wat er nou zo trekt aan die sober ingerichte Urban Espresso Bar (UEB), op de hoek van de Nieuwe Binnenweg en de Claes de Vrieselaan.

Ik denk dat het komt omdat de UEB symbolisch is voor Rotterdam. Bijna twintig jaar geleden werd de bar (toen nog op de Botersloot) opgericht door de Australische Jo, uit het land van de kangoeroes, koala’s en knetterende bosbranden, maar natuurlijk ook van de fameuze flat white. Toen Jo als kunstenares in 1994 naar Rotterdam kwam, was het een hele andere stad. Een rauwe stad zonder Erasmusbrug, waar men nog veelvuldig binnen rookte en de koffie uitsluitend thuis dronk. Het lag dus niet voor de hand om een koffiebar op te richten die homemade icetea serveerde, waar roken al gauw verboden werd en de chocolademelk eens níet uit blik kwam. Het liep dan ook moeizaam in het begin. Maar, zoals het een echte Rotterdammer betaamt werd er niet geluld maar gepoetst: „Eerst de koffie goed, dan komt de rest vanzelf.”

En de rest kwam, in groten getale. In 2010 werd de vestiging op de Nieuwe Binnenweg opgericht. Zonder logo en zonder design, maar mét goeie koffie en met lokale kunst aan de muur. Het is een plek zonder poespas, met veel licht, beton en buizen aan het plafond. Niet omdat dat toevallig trendy is, maar simpelweg omdat de inrichting al tien jaar zo is. Maar kijk uit, dergelijke nuchterheid trekt Rotterdammers. Rotterdammers in alle soorten en maten: met en zonder migratieachtergrond, met een ‘hoge’ en een ‘lage’ opleiding, met baby’s en zonder baby’s. Bekende Rotterdammers die niet worden lastiggevallen en onbekende Rotterdammers die wel worden lastiggevallen, maar alleen als ze dat willen. Je pikt er ook meteen de toerist uit, die er overigens steeds vaker komt.

Naast het groeiende toerisme, wat volgens de één een positieve ontwikkeling is en volgens de ander een negatieve, staat de UEB ook symbool voor Rotterdam als stad van gentrificatie. De flat white met havermelk is lekker, maar ook duur en ‘gehypet’. Net zoals de rest van de Nieuwe Binnenweg. Als je er woont krijg je vanzelf het gevoel dat de hippe tentjes en de biologische supermarkten zich vanuit het centrum steeds verder over de stad uitstrekken, als een bezige klimop. Een hardnekkige klimop bovendien, waaronder het voor sommigen al gauw donker wordt.

Toch zou de UEB een symbool kunnen zijn voor hoe het ook kan, hoe er licht door de klimop van gentrificatie heen kan gluren. Natuurlijk is de flat white met havermelk niet bepaald goedkoop voor de niet-yuppende mens zonder bakfiets. Maar een gewoon bakkie pleur kan er ook zeker gedronken worden. En goed ook. Door de bouwvakker die de Binnenweg bestraat, door de documentairemaker die de Binnenweg filmt en door de zwervende gebruiker die de Binnenweg karakter geeft. Het zijn nog altijd dezelfde mensen als jaren geleden, aldus Sabrina, die binnenkort het stokje van Jo overneemt.

Het wereldwijde fenomeen van de eenzame, laptoppende mens in een bar is ook de UEB niet vreemd, maar in tegenstelling tot andere zaken, worden hier elkaars blikken niet ontweken. Sterker nog, de blik voelt hier vaak als een uitnodiging. Een blik die lijkt te zeggen ‘zo joh, hoe is’t nou?’, op z’n meest poëtisch Rotterdams. Bovendien wordt er actief aangezet tot dialoog, in de vorm van een klein bordje op de bar in het midden van de zaak. Verpakt als vraag staat is de subtiele boodschap om, wanneer je in je eentje werkt op je laptop, een tafel te delen met anderen die hetzelfde doen. Een beetje ongemakkelijk en hakkelend meld je je dan bij een tafel, „we moeten delen hè”. „Tja, inderdaad.” „Zo joh… Hoe is’t nou?”

In het licht van de klimop lijkt me dit bordje van de UEB een goede ontwikkeling. Ga er eens langs, zou ik zeggen. Of niet, natuurlijk. Het zou Wilfried, Abdelkarim of Hugo niet uitmaken.