Recensie

Recensie Boeken

Jeroen Brouwers’ slotakkoord is groots en fenomenaal vurig

Jeroen Brouwers Een vastgegespte bejaarde man in een rusthuis legt zich allerminst neer bij zijn aftakeling. Hij lééft, in het doodsverachtende proza in de daverende nieuwe roman Cliënt E. Busken.

Illustratie Paul van der Steen

De woede is er nog. De oude heer genaamd E. Busken mag zijn dagen dan doorbrengen in een stoel in een verzorgingshuis, meestal onbeweeglijk vastgegespt, maar in het diepst van zijn gedachten is hij nog glashelder en, dankzij de meest gallische schrijver van het Nederlands taalgebied, fenomenaal vurig. Voor de buitenwereld is hij een patiënt, vanbinnen een toornige god, die de taal nog tot zijn beschikking heeft: ‘Wat beweegt is wat omgaat in mijn hersenkoepel.’ Uit de taal peurt hij lange filippica’s, hij boekstaaft de werveling van gedachten waarin herinneringen het heden in waaieren, of hij briest afgemeten een conclusie: ‘Mij vervult het allemaal met aan braakselopstuwing grenzende weerzin.’

Het is geweldig. Cliënt E. Busken, de nieuwe roman van Jeroen Brouwers (1940), is de monologue intérieur van een bejaarde man in rusthuis Madeleine, die zich in proustiaanse taal allerminst neerlegt bij zijn schromelijke uitdoving. Ware het niet dat hij er liever allang niet meer was, zo voegt hij met verbaal stampvoeten toe: ‘Doe mij liever nu meteen stampende pede de milde spuit.’ Ware het bovendien niet dat zijn communicatie zich tot de binnensmondse monoloog beperkt: sinds hij vastgebonden zit, fingeert hij volledige, doodstille stomheid. Zijn lichaam valt intussen ten prooi aan aanzwellende tremors. Op faxrollen schrijft hij nog grote werken, al zijn die voor de buitenwereld niet meer leesbaar.

We lezen hoofdstukken die schijnbaar middenin een lopende gedachtegang beginnen: met drie puntjes, en dan maar kankeren. De gebeurtenissen beperken zich tot opstaan, uit bed geholpen worden, douchen (‘doesen’) en meer sanitaire vernedering, botsend op zijn onverzettelijkheid (‘Nu moet u rustig worden meneer. Meneer! Menéér!’). Op zeker moment wordt zijn zitwagentje naar buiten gereden, waar het doorpaffen kan aanvangen, soms onderbroken door menselijke verschijningen in het gezichtsveld, door een wegtrekker, of vrees voor de nakende leegte van het sigarettenpakje. Er heerst dus een zekere gebeurtenisloosheid, Cliënt E. Busken is geen roman bol van intrige – wat Buskens toestand immers niet toestaat. Maar spectaculair is het: Brouwers laat ons meesurfen op de golven van zijn gedachten, en weet zo – dat moet met nadruk benoemd worden – moeiteloos te boeien. De taal bezit de rijkdom en dichtheid van poëzie, en vloeit al evenzeer.

Behoud van zekerheid

De taal is zo rijk als het leven van Busken ooit was, als we tenminste zijn verhalen mogen geloven. Hij was van beroep iets hoogstaands en eervols, hij verkeerde nu eens in royale kringen, dan weer op artistieke hoogten en onder wetenschappelijke hotemetoten. En op een kantoor? Daar hapert Busken even – ‘Komt het woord kantoor toevallig in me op, zoals alle in het wilde weg langsdwalende gedachten wrakstukken van het te wantrouwen geheugen zijn’ – om zijn gedachten dan weer met vocabulair machtsvertoon in het gelid te zetten. De barokke zinnen krijgen zo méér dan alleen een esthetische kwaliteit, want ze zijn ook functioneel: Busken wil ermee tonen dat hij zijn verstand nog lang niet kwijt is. ‘Ik noteer alles oplettend met secuur besef van het noorden’, zegt hij zelfs. Als hij niet op een woord kan komen, wuift hij dat gloedvol weg: ‘Als parelkralen die van een snoer glijden beginnen woorden me een na een te ontvallen wegens vergetelijkheid.’

Zo’n laatste verhaspeling verraadt hem dan toch, zoals die ‘stampende pede’ ook al deed. ‘Tot het behoud van zekerheid behoort secuur formuleren, dat is een adagio waar ik me stringent aan houd.’ Je zou het bijna over het hoofd zien (‘adagio’ en ‘stringent’ klinken alleszins zinnig naast elkaar), maar een paar regels later herstelt Busken zich: ‘O moet um zijn.’ Het woordspel, zo zien we hier, is geen flauw spel – ‘taalcarnaval’ monkelt Busken zelf ergens, en dat is misschien wel de beste benaming. Busken zet een narrenmasker van taal op, om te verbergen wat daarachter zit. In ‘volzinnen als onvermoeibare langeafstandslopers’ probeert hij zich nog op te richten, een beetje zoals in Hersenschimmen van Bernlef. Ondertussen zet de aftakeling onverdroten door – en wij zijn getuige, van zeer nabij. Die taal onder spanning, opgeblazen tot hij bijna knapt, maakt Cliënt E. Busken tegelijk groots en meeslepend, én zo hartverscheurend als een relaas van een woedende man maar kan worden. Bij vlagen meelijwekkend.

Zo hartverscheurend als een relaas van een woedende man maar kan worden

De ouderdom is totalitair van aard en niet alleen in Buskens hoofd wankelen de bakens. Eerst rispt er nog wat ouwemannelijk zuur op: de zusters mogen geen zusters meer genoemd worden, ze heten ‘verzorgenden’, en denk om de mensen met een donkere huidskleur – en ook het stokpaardje van de genderidentiteiten wordt bereden, al is het maar om de genderneutrale kleding in het verzorgingshuis: ‘Van het gewone personeelsvolk valt soms alleen uit de voornaam af te leiden welk geslachtskenmerk in eenieders broek en elders aanwezig is.’ Brouwers stijgt soeverein uit boven Youp-niveau door er een serieus literair thema van te maken: tussen alles wat fluïde wordt, is geslacht geen uitzondering. Zo is verzorgende Moniek eerst nog een aanbiddelijke vrouw, wier schoonheid Busken met welhaast petrarcaanse tederheid bezingt. Later komt zijn idee over haar gender op losse schroeven te staan.

Vrouwenhaat

Het is meer dan een zijlijntje, het heeft meer dan één betekenis, want ook Buskens misogynie overkoepelt de roman. Die valt te beschouwen als een verklaring voor zijn eenzaamheid (heeft hij een dochter, die uit beeld is geraakt?), een oorzaak voor de machteloze drift die opflakkert en nergens heen kan, én een spanningsboog in de roman. Het boek begint nota bene met een flard herinnering aan zijn moeder, een helleveeg die hem minachtte – een personage, met een Indische geschiedenis ook nog, waarmee Cliënt E. Busken stevig verankerd is in Brouwers’ oeuvre, vooral in zijn van trauma doortrokken ‘moederboek’ Bezonken rood (1981). Dat oeuvre krijgt hier een daverend slotakkoord (als dat het is), zonder in herhaling te vallen. Want interessant is de reactie van de oude Busken op de verwarring: hij accepteert het, laat zijn vrouwenhaat erdoor opheffen, en raakt zelfs even opgewonden door de nieuwe situatie, heel even overspoelt het geluk van de vrijheid hem.

Even – want de thematiek en de hoedanigheid van de vastgegespte man beletten de roman om werkelijk te culmineren. Je kon hopen op een verrassende climax, waarin de roman uit zijn eigen kaders breekt – het ontbreken daarvan is het enige wat je op Cliënt E. Busken kunt aanmerken. Maar zo’n climax zou in feite ongepast zijn, want ongeloofwaardig. Aftakeling valt immers niet terug te draaien.

Zo werkt de roman toe naar het onafwendbare einde – maar met de dood eindigt het niet. Daarvoor zit er nog veel te veel leven in dit doodsverachtende proza. Brouwers is de taal nog altijd fier meester.

Lees ook het NRC-interview met Jeroen Brouwers uit 2017: ‘Over een tijdje is zelfmoord iets heel gewoons’