Recensie

Recensie Boeken

Na Bergen-Belsen moest het grote drama in Ischa Meijers leven nog beginnen

Ischa Meijer Als klein kind overleefde Ischa Meijer de Holocaust. Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan van Ronit Palache schijnt een nieuw licht op hoe de jeugdervaringen van deze legendarische journalist hem zijn leven lang achtervolgden. (●●●●)

Ischa Meijer in 1980.
Ischa Meijer in 1980. Foto Berry Stokvis/HH

Ischa Meijer lijkt alomtegenwoordig, op de dag af een kwart eeuw na zijn dood. Op Valentijnsdag 1995 overleed hij, tweeënvijftig jaar jong, ook nog op zijn verjaardag – ongezochte symboliek. We zien op de televisie fragmenten uit zijn interviewprogramma op RTL5, waarin hij er vijf dagen in de week drie gasten per uitzending doorheen jaste, nogal eens op het hufterige af. Oude vrienden en vriendinnen of andere door hem ‘aangeraakten’ schuiven ergens aan om ‘hun’ Ischa te gedenken. Hij interviewde zo’n drie decennia lang en zo leer je mensen kennen en zij jou. A fortiori gold dat laatste voor Ischa, want via de woorden van anderen richtte hij zich in die interviews op het vertellen van zijn eigen verhaal.

Een serieuze biografie over hem is nog in de maak, door Annet Mooij. Hoe dan ook zal ze zich daarbij moeten verhouden tot het door Ronit Palache ingeleide en samengestelde Privé-domeindeel Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan. De focus in haar bloemlezing uit Ischa Meijers werk is gericht op jodendom en de Tweede Wereldoorlog en dat levert een verrassend en overtuigend beeld op.

Israël Chaim Meijer ontleende zijn faam vooral aan dat wat niet in deze bundel opgenomen is: zijn vernietigende toneelrecensies eind jaren zestig in de Haagse Post; het spraakmakende dubbelinterview in 1984 in Vrij Nederland met het Rotterdamse burgemeestersechtpaar Peper; het emancipatorische egodocument Brief aan mijn moeder (1974), waarmee hij het taboe op het spreken over de ervaringen in de Tweede Wereldoorlog onder Joodse eerste en tweede generatieslachtoffers slechtte.

Door de Brief in deze opsomming van wapenfeiten op te nemen, lijkt het alsof Meijer de problematiek daarin met die publicatie afdoende ‘behandeld’ had. Niets is minder waar, blijkt uit Ronit Palaches trefzekere greep uit zijn op papier gestelde gedichten, herinneringen, reportages, dagboeken, brieven, stand-up comedy-teksten, toneelstukken, liedjes, voordrachten, columns en interviews.

Bergen-Belsen

Ischa Meijer worstelde zijn leven lang met zijn beladen Joodse achtergrond. Het begon er al mee dat hij in 1943, hartje oorlog, als uitermate gewenst kind ter wereld kwam en kort daarna als ‘baby achter prikkeldraad’ met zijn ouders, via Westerbork, in concentratiekamp Bergen-Belsen belandde. Door die ervaring was hij zowel eerste generatie-slachtoffer als door zijn prille leeftijd tweede generatie-slachtoffer – het eerste teken van een existentiële ambivalentie die hem levenslang typeerde.

Later noemt Ischa zijn ouderlijk huis ‘het echte concentratiekamp’

Maar het grote drama moest, in zijn woorden, nog beginnen. In zijn door merg en been gaande gedicht ‘Victorieplein’ rept hij in de laatste strofe van zijn verlangen naar ‘een jongetje dat alles goed zou maken’. Dat geldt voor meer van zijn Joodse generatiegenoten, maar Ischa’s tragiek was dat hij het moest stellen met een vader die hem verwierp. ‘Ik heb van niemand in mijn leven zoveel gehouden als van mijn vader. Hij heeft me bezeerd. Elke keer als ik hem een blijk van liefde gaf, ging hij er met zijn grote poten op staan. De dag begon ’s ochtends om zeven uur als ik beneden alleen even een kopje koffie dronk, want ik kon niet eten van de zenuwen. Hij kwam binnen en zei: “Zo, daar hebben we hem. Het mislukte genie.”’ Later noemt hij zijn ouderlijk huis ‘het echte concentratiekamp’.

Ook zijn verblijf op de Joodse kleuter- en lagere school ervoer hij als een kamp. Zowel de onderwijzers als de leerlingen waren slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Hij herinnert zich hoe een ‘akelige dame’ daar over zijn kampverhaal ‘in lachen uitbarstte, op haar in de arm getatoeëerde Auschwitznummer wees en uitriep: “Belsen, laat me niet lachen. Kóékjes eten zal je bedoelen.”’ Zijn vondst ‘leedadel’ is hiermee geboren.

Lees ook de terugblik op de rubriek ‘De Dikke Man’, die in 1990 begon op de Achterpagina van NRC.

Noem het trauma, of literair bezien Fundgrube, zijn jeugdervaringen die als een verschrikkelijk ijkpunt fungeerden in de rest van zijn bestaan. Dat Ischa daar nooit los van kwam, toont Ik heb niets tegen antisemieten, ik lééf ervan. Zichtbaar wordt hoe hij niet alleen een zoon van zijn vader bleef, uit op erkenning van een man omgeven met een nimbus van lijden, maar ook hoe hij naar de juiste vorm zocht om het onzegbare te zeggen. Nooit was hij daar tevreden over, vermoed ik. Dat is schrijnend, want in zijn diep-tragische jeugdherinneringen, gegoten in korte verhalen, is al elk woord raak. Maar literatuur was kennelijk niet genoeg. Via andere schrijfvormen zocht hij naar zelfverheldering, door en ten opzichte van de buitenwereld.

Verbijstering

Het interview was daartoe de meest geëigende vorm. Cineast Frans Weisz zegt in hun gesprek: ‘Ik wil dat je opschrijft dat ik je dit alles verteld heb omdat ik het niet meer als interviews kon beschouwen. Het waren gesprekken waarbij we samen uit balans raakten.’ Inderdaad, meer dan door te benoemen, te vragen, te confronteren en te sarren, was Ischa aan het ontregelen – zijn gesprekspartner én zichzelf. Daardoor werden het gesprekken waarin ‘alles’ verteld werd – vaak tot verbijstering van de geïnterviewde. Daarom ook is Ischa’s interviewmethode onnavolgbaar: onlosmakelijk verweven met zijn gekwelde persoonlijkheid. Schaamte noemde hij zijn motor, mogelijk in de omschrijving van zijn vroegere psychotherapeut Louis Tas: schaamte als onvermogen om empathie met jezelf te hebben.

Verder wilde hij reiken, dit Rupsje Nooitgenoeg. Als performer Izzy M, in Duitsland als ‘der sympathische Jude’. Als (uiteindelijk dagelijkse) columnist met ‘De Dikke Man’, volgens hemzelf ‘een vormtechnische goudmijn’. In de krant verwaaiden die stukjes met al die literair onmachtige hoofdletters, de gekunstelde neologismen (de werkwoorden ‘binnensmonsde’, ‘kortafde’) en de identieke schrijftaal die hij iedereen in de mond legde (‘altoos’, ‘plachten’). Maar in de herkansing in deze bundel ervaar je ze veeleer als mini-essays, waarbij de personen die Meijers alter ego De Dikke Man ontmoet aandoen als vluchtige gedachten.

Lees ook de column van Frits Abrahams: ‘Loe de Jong bij Ischa’

De sectie met De Dikke Man-columns maakt goed duidelijk waarom lezing van deze bundel zoveel aandacht vergt. Meijers geest was zijn belangrijkste wapen en die is voortdurend in stelling gebracht. Verslap je even, dan moet je teruglezen, want het humeur van die grillige dikkerd, bij wie contramine de levensconditie was, is dan alweer gekanteld. Wanneer een Oude Mevrouw verzucht dat ze niet mag klagen, roept hij ‘buitengewoon geërgerd’ dat ze dat wel mag. Maar klaagt dan iemand anders, dan heet dat ‘zeuren’. Tegelijkertijd analyseert hij zichzelf ook constant, uiterst kritisch. Zo bezag hij zichzelf dus als personage: bestaande uit een en al psychologie. Geen wonder dat I.M., Connie Palmens hun liefde vierende roman, meteen haar beste is: bovenop haar vernieuwende gemorrel aan de definitie van het romangenre, kreeg zij een Mensch van vlees en bloed in de schoot geworpen. Net als de lezers van Palaches caleidoscopische hommage aan een onvergetelijk karakter.