Opinie

Dichter Spigt

Willem Pekelder is wekelijks onderweg in Rotterdam

In 010

Als ik Frédérique Spigt zie, moet ik denken aan de film Rebel without a cause met James Dean. Of aan het boek The Catcher in the rye van J. D. Salinger. Niet alleen stammen beide kunstuitingen uit de jaren vijftig, het tijdperk waarin Spigt werd geboren, ook inhoudelijk past de Rotterdamse zangeres in het plaatje: de rauwheid van het leven, de pijnlijke worsteling naar volwassenheid.

Ze zong er vele liederen over, en sinds deze week is er ook een dichtbundel, getiteld Misantroop. Zoals haar songs ademt Spigts poëzie een zekere zwaarte, gecombineerd met een verlangen naar liefde en seks, en de moeilijkheden daaromtrent. Je leest het terug in Steenvrucht, dat de vergeefse zoektocht verbeeldt naar een wonderjongen, wiens prijs in zijn ogen glimt. De schoonheid van dichter Spigt zit in de wijze waarop zij de rafelranden van het bestaan aanraakt, het onaffe, het mislukte.

Er is weinig hoop op verbetering, zo valt op te maken uit de titel. Maar desondanks is Misantroop teder troostend voor wie zich erin herkent. Na de presentatie van de bundel in het natuurhistorisch museum vroeg ik Spigt of ze werkelijk een mensenhater is. Ze antwoordde: „Individueel kan ik van mensen houden, maar als geheel is het mensdom een plaag. Dan geef ik meer om dieren.”

Veel van haar gedichten gaan dan ook over de fauna, en dan vooral de manier waarop die in de grote stad in de knel komt. Neem Roadpizza, over een kraai die in een pizza pikt op het asfalt en daarbij wordt geplet door een auto, waarna de vogel /met één vleugel opstaand in de wind/zwaaiend zijn doodsbed vindt. Je ziet het bloedige tafereel zó voor je. Het zijn strofes die door de ziel snijden.

Spigt schreef haar bundel op aanraden van gitarist Corrie van Binsbergen, met wie ze te zien is in de voorstelling Stukjes. Aan strakke rijmschema’s laat de debutante zich weinig gelegen liggen, „want”, zei ze, „ik wil alle vrijheid. Die vind ik in gedichten meer dan in liedteksten, omdat de laatste veel toegankelijker moeten zijn.”

Op haar 63-ste begon ze aan een nieuw genre. In die zin wordt de zangeres nooit ‘volwassen’, en behoudt ze de rebelse gretigheid van een puber. Dat is, denk ik, het allermooiste aan Frédérique Spigt.